ECLI:NL:RVS:2022:3220
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging sluiting woning wegens aanwezigheid drugsversnijdingsmiddelen en contant geld
De burgemeester van Rotterdam besloot op 15 september 2020 tot sluiting van een woning voor zes maanden nadat politie bij een aanhouding in de woning grote hoeveelheden contant geld en stoffen aantroffen die gebruikt worden voor het versnijden van harddrugs. De huurder, appellant, betwistte dit en stelde dat de stoffen uit het verleden stammen en het geld van zijn broer was. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State bevestigt deze uitspraak.
De burgemeester mocht op grond van artikel 13b Opiumwet aannemen dat de stoffen bestemd waren voor drugsvorming, mede vanwege wisselende verklaringen van appellant en de aanwezigheid van een groot geldbedrag verpakt op een wijze die gebruikelijk is in het criminele circuit. Hoewel er geen directe aanwijzingen waren voor handel vanuit de woning, werd de sluiting noodzakelijk geacht vanwege de ernst van de overtreding, de ligging in een veiligheidsrisicogebied en de beleidslijn van Rotterdam.
De Afdeling oordeelt dat de burgemeester de sluiting evenredig en noodzakelijk mocht achten. De mogelijke nadelige gevolgen voor appellant, zoals het verlies van de woning en een lopende ontbindingsprocedure, wogen niet zwaarder dan het algemeen belang bij het herstel van de openbare orde. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de sluiting van de woning voor zes maanden wegens aanwezigheid van drugsversnijdingsmiddelen en contant geld.