ECLI:NL:RVS:2023:3705
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging sluiting woning wegens handel en productie verdovende middelen
Op 12 januari 2021 doorzocht de politie een woning in Rotterdam in een onderzoek naar een crimineel samenwerkingsverband gericht op handel en productie van verdovende middelen. Daarbij werden 1,42 gram methamfetamine, 4 liter tolueen, een geldtelmachine, een doorgeladen handpistool, een deels geladen revolver en 49 patronen aangetroffen. De burgemeester sloot de woning op 19 april 2021 voor zes maanden op grond van artikel 13b van de Opiumwet.
Appellant maakte bezwaar tegen het besluit, stellende dat de burgemeester niet bevoegd was en dat de sluiting niet noodzakelijk noch evenredig was. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de appellant ging in hoger beroep bij de Raad van State.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de burgemeester bevoegd was de woning te sluiten omdat de hoeveelheid drugs de gebruikershoeveelheid overschrijdt en tolueen als grondstof voor methamfetamine werd aangetroffen. Daarnaast wezen wapens en een geldtelmachine op handel. De noodzaak tot sluiting werd bevestigd vanwege de ernst van de overtreding en het belang van bescherming van woon- en leefklimaat. De duur van zes maanden werd als evenwichtig beschouwd, ondanks de nadelige gevolgen voor appellant.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. De Afdeling vond dat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat de drugs bestemd waren voor eigen gebruik of dat de sluiting onevenredig was.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de sluiting van de woning voor zes maanden wegens handel en productie van verdovende middelen.