ECLI:NL:RVS:2022:3548
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing aanvraag machtiging tot voorlopig verblijf wegens niet voldoen middelenvereiste
De vreemdeling, geboren in 2005 en van Syrische nationaliteit, verzocht om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) als pleegkind bij zijn oom in Nederland. De staatssecretaris wees de aanvraag af omdat de referent niet voldeed aan het middelenvereiste, specifiek omdat hij niet blijvend ontheven is van de arbeidsinschakelingsplicht zoals vereist in paragraaf B7/2.1.1 van de Vreemdelingenwet.
De vreemdeling stelde dat de referent sinds 2016 ononderbroken ontheffing heeft van deze plicht, met verlengingen door Werkplein, wat gelijk zou staan aan blijvende ontheffing. De staatssecretaris erkende dat de beleidsregel ruimte biedt voor maatwerk, maar vond dat de situatie van de referent niet voldeed aan de criteria voor blijvende ontheffing, mede omdat de medische omstandigheden niet onomkeerbaar zijn en de ontheffingen tijdelijk van aard zijn.
De rechtbank oordeelde dat de staatssecretaris zich redelijkerwijs op dit standpunt kon stellen. De Afdeling bestuursrechtspraak bevestigde dit oordeel, verwierp de grieven van de vreemdeling en verklaarde het hoger beroep ongegrond. De uitspraak van de rechtbank werd bekrachtigd en er werd geen proceskostenvergoeding toegekend.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de mvv-aanvraag wordt bevestigd.