ECLI:NL:RVS:2023:1137
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Vaststelling en matiging van boetes wegens overtreding Wet arbeid vreemdelingen
Bij besluiten van 22 juni 2020 legde de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aan appellanten boetes op wegens het laten verrichten van arbeid door vreemdelingen zonder de vereiste tewerkstellingsvergunningen. De boetes betroffen vier overtredingen van artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (Wav). Appellanten voerden aan geen werkgever te zijn en stelden dat zij niet op de hoogte waren van de werkzaamheden door de vreemdelingen.
De rechtbank verklaarde de beroepen ongegrond, waarna appellanten hoger beroep instelden bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De Afdeling oordeelde dat feitelijk werkgeverschap niet afhankelijk is van een arbeidsovereenkomst of gezagsverhouding, maar van het feitelijk laten verrichten van arbeid. Appellanten waren eigenaar en opdrachtnemer van de verbouwing waarbij de vreemdelingen werkten, en hebben de werkzaamheden niet verhinderd.
De Afdeling matigde de boetes op basis van de mate van verwijtbaarheid. Voor marginale arbeid met incidenteel karakter werd normale verwijtbaarheid aangenomen, terwijl bij andere vreemdelingen sprake was van grove schuld wegens ernstige onachtzaamheid. De boetes werden vastgesteld op €20.000 voor appellant A en €10.000 voor appellant B. Tevens werden de proceskosten aan appellanten vergoed. Het hoger beroep werd gegrond verklaard en eerdere besluiten en uitspraken vernietigd.
Uitkomst: De boetes wegens overtreding van de Wet arbeid vreemdelingen worden gematigd en definitief vastgesteld op respectievelijk €20.000 en €10.000, met vergoeding van proceskosten aan appellanten.