ECLI:NL:RVS:2023:1189
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging niet-ontvankelijkheid opvolgende asielaanvraag wegens ontbreken nieuwe relevante elementen
De vreemdeling, met de Eritrese nationaliteit, diende een tweede asielaanvraag in nadat zijn eerste aanvraag was afgewezen wegens onvoldoende aannemelijkheid van zijn vluchtmotieven. Bij zijn opvolgende aanvraag voerde hij drie getuigenverklaringen aan van dorpsgenoten, waarin werd gesteld dat hij vanwege weigering militaire dienstplicht te vervullen werd bedreigd, wat leidde tot ontvluchting van het dorp.
De staatssecretaris verklaarde de aanvraag niet-ontvankelijk omdat de nieuwe elementen niet als relevant werden beschouwd. De verklaringen waren identiek qua opmaak en inhoud, werden op eigen verzoek verkregen en strookten niet met eerdere asielrelazen. De rechtbank bevestigde dit standpunt en oordeelde dat de staatssecretaris binnen zijn beoordelingsruimte bleef.
De Raad van State overwoog dat bij de ontvankelijkheidsbeoordeling de staatssecretaris tot op zekere hoogte inhoudelijk moet toetsen of nieuwe elementen relevant kunnen zijn, maar niet tot een volledige inhoudelijke beoordeling mag overgaan. De staatssecretaris heeft zijn samenwerkingsplicht nagekomen door de bewijswaarde van de verklaringen te betwijfelen en deze af te wegen tegen eerdere informatie.
Het hoger beroep faalt omdat de nieuwe stukken niet substantieel bijdragen aan de aannemelijkheid van het asielverzoek. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd en de staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt dat de opvolgende asielaanvraag niet-ontvankelijk is vanwege het ontbreken van nieuwe relevante elementen.