ECLI:NL:RVS:2023:1535
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging besluit AP inzake handhaving inzagerecht persoonsgegevens bij SaVe
De zaak betreft het verzoek van appellant, vader van drie kinderen, om handhavend op te treden tegen het Samenwerkingsverband Midden-Nederland (SaVe) vanwege vermeende schending van het inzagerecht in het kader van de AVG. Appellant stelde dat SaVe niet het volledige dossier inzake hem en zijn kinderen had verstrekt.
De Autoriteit Persoonsgegevens (AP) wees het verzoek tot handhaving af, omdat geen overtreding was geconstateerd. De rechtbank oordeelde dat de Jeugdwet voorrang heeft op de AVG bij inzagerecht en dat appellant over de periode waarin zijn gezag was geschorst alleen inzage had in zijn eigen persoonsgegevens, niet die van zijn kinderen. De rechtbank gaf de AP op om nader onderzoek te doen naar mogelijke ontbrekende gegevens over de schorsingsperiode.
In hoger beroep stelde appellant dat hij ook inzage had moeten krijgen in gegevens van zijn kinderen tijdens de schorsing van het gezag. De Raad van State oordeelde dat artikel 7.3.15 van de Jeugdwet het inzagerecht exclusief toekent aan ouders die het gezag uitoefenen. Verder was het globaal bureauonderzoek van de AP adequaat en was er geen reden tot handhaving. Het hoger beroep en het beroep tegen het nieuwe besluit van de AP werden ongegrond verklaard, en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep tegen het besluit van de AP wordt ongegrond verklaard en het besluit bevestigd.