ECLI:NL:RVS:2023:154
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen afwijzing Wob-verzoek inzake WW-uitkeringsgegevens
Appellant had een geschil over de langdurigheidstoeslag en verzocht het UWV om gegevens over zijn WW-uitkering uit 2005-2006 op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob). Het UWV wees het verzoek af vanwege bescherming van de persoonlijke levenssfeer en stelde dat de gevraagde documenten in 2011 waren vernietigd volgens de Archiefwet. De rechtbank verklaarde het beroep niet-ontvankelijk omdat appellant geen procesbelang zou hebben.
De Afdeling bestuursrechtspraak stelde vast dat appellant wel degelijk belang had bij een oordeel over het bestaan van de documenten en dat de rechtbank ten onrechte het procesbelang had ontkend. De Afdeling oordeelde dat het UWV niet voldoende had gemotiveerd dat het de documenten had gezocht vóór de vernietiging en dat het besluit van 25 januari 2021 daarom niet deugdelijk was gemotiveerd.
De Afdeling vernietigde het vonnis van de rechtbank en het besluit van het UWV, maar bepaalde dat de rechtsgevolgen van het besluit (afwijzing Wob-verzoek) in stand konden blijven omdat de documenten terecht vernietigd waren volgens de Archiefwet en bewaartermijnen. Het UWV had voldoende toegelicht dat de onderliggende stukken niet meer aanwezig waren. Appellant kreeg het betaalde griffierecht vergoed.
Uitkomst: Het hoger beroep is gegrond verklaard, het besluit van het UWV vernietigd wegens onvoldoende motivering, maar de afwijzing van het Wob-verzoek blijft in stand.