ECLI:NL:RVS:2023:1674

Raad van State

Datum uitspraak
1 mei 2023
Publicatiedatum
1 mei 2023
Zaaknummer
202201996/1/V2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep van vreemdelingen tegen afwijzing verblijfsvergunning asiel

Op 1 mei 2023 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State uitspraak gedaan in een hoger beroep van drie vreemdelingen tegen de afwijzing van hun aanvragen voor een verblijfsvergunning asiel door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. De aanvragen waren op 17 juli 2020 afgewezen, waarna de vreemdelingen in beroep gingen bij de rechtbank Den Haag. De rechtbank verklaarde de beroepen op 9 maart 2022 ongegrond, wat leidde tot het hoger beroep bij de Raad van State.

In de uitspraak van de Raad van State werd bevestigd dat de rechtbank terecht oordeelde dat de staatssecretaris de gestelde seksuele gerichtheid van de zoon van de vreemdelingen niet ten onrechte ongeloofwaardig achtte. De rechtbank had de bewijsstukken die door de vreemdelingen waren overgelegd op juiste wijze betrokken bij de geloofwaardigheidsbeoordeling, in lijn met eerdere uitspraken. Het hoger beroep bevatte geen vragen die in het belang van de rechtseenheid of rechtsontwikkeling beantwoord moesten worden, waardoor de Raad van State geen verdere motivering nodig achtte.

De Raad van State bevestigde de uitspraak van de rechtbank en oordeelde dat het hoger beroep ongegrond was. De staatssecretaris werd niet verplicht om proceskosten te vergoeden. De uitspraak werd openbaar uitgesproken op 1 mei 2023.

Uitspraak

202201996/1/V2.
Datum uitspraak: 1 mei 2023
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[vreemdeling 1], [vreemdeling 2] en [vreemdeling 3],
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 9 maart 2022 in zaken nrs. NL20.15491, NL20.15492 en NL20.15493 in het geding tussen:
de vreemdelingen
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluiten van 17 juli 2020 heeft de staatssecretaris aanvragen van de vreemdelingen om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij uitspraak van 9 maart 2022 heeft de rechtbank de daartegen door de vreemdelingen ingestelde beroepen ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak hebben de vreemdelingen, vertegenwoordigd door mr. M.L. Saija, advocaat te Arnhem, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1.       Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Voor dit oordeel is onder meer van belang dat de rechtbank terecht en op goede gronden tot het oordeel is gekomen dat de staatsecretaris de gestelde seksuele gerichtheid van de zoon, waar de vreemdelingen hun asielaanvraag op baseren, niet ten onrechte ongeloofwaardig acht. De rechtbank heeft daarbij terecht geoordeeld dat de staatssecretaris de door de vreemdelingen overgelegde bewijsstukken op juiste wijze en in lijn met de uitspraak van 4 augustus 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1754, heeft betrokken bij de integrale geloofwaardigheidsbeoordeling.
1.1.    Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
2.       Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. C.C.W. Lange, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van L.W. Lagaaij LLM, griffier.
w.g. Lange
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Lagaaij
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 1 mei 2023
936