ECLI:NL:RVS:2023:1735
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit weigering inzage persoonsgegevens politie wegens ondeugdelijke motivering en ontbreken belangenafweging
De appellant verzocht de korpschef van politie om inzage in zijn persoonsgegevens in politiedossiers. De korpschef weigerde gedeeltelijk inzage op grond van artikel 27, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet politiegegevens (Wpg), met als reden het voorkomen van nadelige gevolgen voor opsporingsonderzoek. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, maar de appellant stelde hoger beroep in bij de Raad van State.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat de korpschef abusievelijk sub a in plaats van sub b van artikel 27 Wpg Pro als weigeringsgrond had genoemd, maar dat dit geen reden was voor vernietiging. Wel stelde de Afdeling vast dat de korpschef onvoldoende had gemotiveerd waarom de weigeringsgrond van toepassing was en dat sinds een wetswijziging per 1 januari 2019 een belangenafweging vereist is bij weigering op grond van artikel 27, eerste lid, aanhef en onder b, Wpg. Deze belangenafweging ontbrak in het besluit.
Verder oordeelde de Afdeling dat de korpschef ten onrechte had aangenomen dat hij appellant niet hoefde te horen, terwijl het horen van belanghebbenden noodzakelijk is voor een juiste belangenafweging. De Afdeling verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde het besluit en droeg de korpschef op binnen twaalf weken een nieuw besluit te nemen met inachtneming van de uitspraak. Tevens werd bepaald dat tegen het nieuwe besluit alleen beroep bij de Afdeling mogelijk is.
Uitkomst: Het besluit van de korpschef politie wordt vernietigd wegens ondeugdelijke motivering en ontbreken van belangenafweging, met opdracht tot nieuw besluit.