ECLI:NL:RVS:2023:1944
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- J.M. Willems
- J. Schipper-Spanninga
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak rechtbank inzake afwijzing Nederlanderschap wegens openbare orde
De zaak betreft het hoger beroep van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tegen een uitspraak van de rechtbank Den Haag die het besluit tot afwijzing van het Nederlanderschap aan [appellant], een Syrische nationaliteit bezittende persoon, vernietigde. De afwijzing was gebaseerd op artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de Rijkswet op het Nederlanderschap, vanwege ernstige vermoedens dat [appellant] een gevaar voor de openbare orde vormt, gegrond op eerdere veroordelingen.
De rechtbank had geoordeeld dat het strikt toepassen van het beleid, met name de rehabilitatietermijn van vijf jaar, in dit geval in strijd was met het evenredigheidsbeginsel. Zij nam daarbij mee dat het delict van geringe ernst was, gepleegd onder invloed van medicatie, en dat [appellant] sindsdien geen nieuwe strafbare feiten had gepleegd. De staatssecretaris stelde echter dat deze omstandigheden niet bijzonder genoeg waren om van het beleid af te wijken en dat de rechtbank onvoldoende had gemotiveerd waarom het onredelijk zou zijn dat [appellant] pas na het verstrijken van de rehabilitatietermijn Nederlander kan worden.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat de rechtbank terecht artikel 4:84 van Pro de Algemene wet bestuursrecht had toegepast, maar dat zij ten onrechte de omstandigheden als bijzonder had aangemerkt. De Afdeling bevestigde dat het beleid en de rehabilitatietermijn rechtmatig zijn en dat de strafrechter de omstandigheden reeds heeft meegewogen. Ook achtte de Afdeling het niet onevenredig dat [appellant] pas na het verstrijken van de termijn in aanmerking komt voor naturalisatie.
De Afdeling vernietigde daarom het vonnis van de rechtbank en verklaarde het beroep van de staatssecretaris gegrond, waarmee het beroep van [appellant] ongegrond werd verklaard. De afwijzing betekent niet dat [appellant] nooit Nederlander kan worden; hij kan na afloop van de rehabilitatietermijn opnieuw een verzoek indienen.
Uitkomst: De Raad van State vernietigt het vonnis van de rechtbank en verklaart het beroep van de staatssecretaris gegrond, waardoor het verzoek om Nederlanderschap wordt afgewezen.