ECLI:NL:RVS:2023:2380
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging gedoogbeschikking aanleg rioolwaterpersleiding wegens onvoldoende onderhandelingspoging
De minister van Infrastructuur en Waterstaat legde op grond van de Belemmeringenwet Privaatrecht een gedoogplicht op aan de Stichting het Lijndensche Fonds voor Kerk en Zending voor de aanleg en instandhouding van een rioolwaterpersleiding over haar landgoed. De Stichting maakte bezwaar tegen het tracé en de wijze van besluitvorming, onder meer vanwege vermeende alternatieve tracéroutes en onvoldoende minnelijke overeenstemming.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar de Raad van State oordeelt dat de rechtbank ten onrechte niet is ingegaan op de alternatieve tracés en dat de minister onvoldoende heeft onderzocht of voor het perceel Dodewaard D 1740 aan de onderhandelingsverplichting is voldaan. Hierdoor is het besluit op bezwaar voor dat perceel onvoldoende zorgvuldig voorbereid en wordt het vernietigd.
De Raad van State stelt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven, waardoor de Stichting de aanleg en instandhouding van de leiding moet gedogen. Verder oordeelt de Afdeling dat de minister de aangedragen alternatieve tracés terecht heeft betrokken en gemotiveerd heeft waarom deze niet werkbaar zijn, waardoor het tracé in stand blijft. De minister wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, het besluit tot gedoogplicht voor perceel Dodewaard D 1740 wordt vernietigd, maar de rechtsgevolgen blijven in stand.