ECLI:NL:RVS:2023:2770
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging uitspraak rechtbank over tijdelijke woonunit en instandhoudingstermijn in Nederweert
Het college van burgemeester en wethouders van Nederweert verleende een omgevingsvergunning voor het plaatsen van een tijdelijke woonunit met praktijkruimte op een perceel in Nederweert. Een omwonende, appellant sub 2, maakte bezwaar vanwege hinder door bezoekers en rookontwikkeling. De rechtbank verklaarde het bezwaar gegrond en herformuleerde het zesde voorschrift van de vergunning, waarmee de maximale instandhoudingstermijn werd begrensd op twee jaar vanaf de vergunningverlening.
Appellanten sub 1 stelden dat zij onvoldoende tijd hadden om hun woning te bouwen en dat de termijn onterecht was beperkt. Appellant sub 2 stelde dat hij nog hinder ondervond en procesbelang had. De Afdeling oordeelde dat appellant sub 2 geen procesbelang meer had omdat de woning was afgebouwd en de woonunit deels verwijderd, waardoor zijn doel niet meer bereikt kon worden.
De Afdeling bevestigde dat de rechtbank terecht het zesde voorschrift had herzien vanwege rechtszekerheid en dat de termijn van twee jaar passend was. Ook oordeelde de Afdeling dat de rechtbank voldoende rekening had gehouden met de belangen van appellanten sub 1, die al met de bouw waren begonnen en nog zes maanden de woonunit mochten gebruiken na de uitspraak.
Het incidenteel hoger beroep van appellant sub 2 werd niet-ontvankelijk verklaard en het hoger beroep van appellanten sub 1 ongegrond, waarmee de uitspraak van de rechtbank werd bekrachtigd.
Uitkomst: Het incidenteel hoger beroep is niet-ontvankelijk verklaard en het hoger beroep ongegrond, waarmee de uitspraak van de rechtbank is bevestigd.