ECLI:NL:RVS:2023:3220
Raad van State
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Geen compensatie voor gewekte verwachtingen bij intrekking omgevingsvergunning huisvesting arbeidsmigranten
Appellant vroeg een omgevingsvergunning aan voor kamergewijze verhuur aan vijftien arbeidsmigranten in een woning te Waalwijk. Het college verleende de vergunning in maart 2018, maar herroept deze in juli 2018 na bezwaar van omwonenden en wijziging van het beleid. Appellant stelde dat hij gerechtvaardigd vertrouwen had op handhaving van de vergunning op basis van een gesprek met een wethouder, en vroeg compensatie voor geleden schade.
De Afdeling oordeelde in een eerdere uitspraak dat appellant gerechtvaardigd mocht vertrouwen op toepassing van het oude beleid, maar dat het college de vergunning terecht kon weigeren. Het college moest echter wel onderzoeken of compensatie voor schade moest worden toegekend. Het college besloot in januari 2021 geen compensatie toe te kennen omdat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat de schade het gevolg was van de gewekte verwachtingen.
Appellant voerde aan dat ook schade door intrekking van de vergunning zelf gecompenseerd had moeten worden en dat het college onzorgvuldig had gehandeld. De Afdeling stelt dat het college terecht alleen schade als gevolg van de gewekte verwachtingen heeft onderzocht en dat appellant onvoldoende onderbouwing heeft geleverd. Het beroep wordt ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit om geen compensatie toe te kennen wordt ongegrond verklaard.