ECLI:NL:RVS:2023:4132
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing urgentieverklaring wegens ontbreken zelfstandige woonruimte
Appellant heeft na zijn scheiding bij zijn zus ingewoond en beschikte daardoor niet over een zelfstandige woonruimte. Hij vroeg een urgentieverklaring aan om zijn minderjarige kinderen te kunnen ontvangen, die bij zijn ex-partner wonen. Het college van burgemeester en wethouders van Zeist wees deze aanvraag af op grond van de Huisvestingsverordening Regio Utrecht 2019, omdat appellant niet voldeed aan de vereisten voor zelfstandige huisvesting.
Appellant maakte bezwaar tegen deze afwijzing, maar het college handhaafde het besluit. Vervolgens stelde appellant beroep in bij de rechtbank Midden-Nederland, die het beroep ongegrond verklaarde. Appellant ging in hoger beroep bij de Raad van State.
De Raad van State oordeelt dat de gronden van appellant, waaronder de toepassing van de hardheidsclausule en de belangen van zijn kinderen, onvoldoende zijn om het besluit te vernietigen. De Raad verwijst naar eerdere rechtspraak en bevestigt dat artikel 27 IVRK Pro geen directe werking heeft. De aangevallen uitspraak wordt dan ook bevestigd en het hoger beroep ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de urgentieverklaring bevestigd.