ECLI:NL:RVS:2023:4155

Raad van State

Datum uitspraak
8 november 2023
Publicatiedatum
8 november 2023
Zaaknummer
202207250/1/A3
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • N. Verheij
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 AVGArt. 6 EVRM
Verwijzingen
9 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging uitspraak inzake inzage persoonsgegevens FIOD onder AVG en Wet politiegegevens

Appellant verzocht inzage in persoonsgegevens die door de Fiscale Inlichtingen- en Opsporingsdienst (FIOD) zijn verwerkt. De minister van Financiën stelde dat er geen persoonsgegevens worden verwerkt waarop de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) van toepassing is, maar wel persoonsgegevens waarop de Wet politiegegevens van toepassing is. Appellant kreeg inzage in politiegegevens, maar betoogde dat hem ten onrechte inzage in AVG-gegevens werd onthouden.

De rechtbank oordeelde dat de gegevens die de FIOD verwerkt politiegegevens zijn, ook wanneer deze worden gedeeld met derden, en dat deze niet onder de AVG vallen. Appellant stelde dat gedeelde politiegegevens geen politiegegevens meer zijn, maar dat betoog werd verworpen. Ook het verzoek om een dwangsom werd afgewezen omdat het besluit niet onrechtmatig was.

De Afdeling bestuursrechtspraak bevestigde de uitspraak van de rechtbank en oordeelde dat appellant geen aannemelijk bewijs had geleverd dat er AVG-gegevens worden verwerkt door de FIOD. Daarnaast werd een schadevergoeding van €500 toegekend wegens een overschrijding van de redelijke termijn van ongeveer twee maanden, welke geheel aan de rechtbank toe te rekenen is.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd, met een schadevergoeding van € 500 wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

202207250/1/A3.
Datum uitspraak: 8 november 2023
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend te [woonplaats],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 22 november 2022 in zaak nr. 19/6506 in het geding tussen:
[appellant]
en
de minister van Financiën.
Procesverloop
Bij besluit van 7 augustus 2019 heeft de minister op het verzoek van [appellant], om inzage in zijn persoonsgegevens die door de Fiscale Inlichtingen- en Opsporingsdienst (hierna: de FIOD) zijn verwerkt, laten weten dat er geen persoonsgegevens worden verwerkt waarop de Algemene verordening gegevensbescherming (EU) 2016/679 (hierna: de AVG) van toepassing is, maar dat er wel persoonsgegevens worden verwerkt waarop de Wet politiegegevens van toepassing is.
Bij besluit van 27 november 2019 heeft de minister het door [appellant] gemaakte bezwaar tegen het deel van het genoemde besluit dat betrekking heeft op de AVG ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 22 november 2022 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 oktober 2023, waar [appellant], en de minister van Financiën, vertegenwoordigd door mr. drs. I.A. Huppertz, zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1.       [appellant] heeft op 15 juni 2019 gevraagd of de FIOD zijn persoonsgegevens verwerkt. In het besluit van 7 augustus 2019 heeft de minister van Financiën vastgesteld dat geen persoonsgegevens worden verwerkt waarop de AVG van toepassing is, maar dat wel persoonsgegevens worden verwerkt waarop de Wet politiegegevens van toepassing is. De minister heeft [appellant] inzage verleend in de politiegegevens. Naar aanleiding daarvan is [appellant] van mening dat hem ten onrechte inzage is onthouden van zijn persoonsgegevens als bedoeld in de AVG. In de uitspraak van 19 juli 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2771, heeft de Afdeling beslist over verwerking van persoonsgegevens op grond van de Wet politiegegevens. In deze zaak gaat het alleen over gegevens als bedoeld in de AVG.
Het hoger beroep
2.       [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat geen reden bestaat om aan te nemen dat de FIOD persoonsgegevens als bedoeld in de AVG van [appellant] heeft verwerkt. [appellant] stelt dat politiegegevens die worden gedeeld met derden niet langer politiegegevens zijn. Die gegevens vallen dan onder de AVG en moeten dus aan hem ter inzage worden aangeboden.
2.1.    Ingevolge artikel 2, eerste lid, aanhef en onder d, van de AVG is deze verordening niet van toepassing op de verwerking van persoonsgegevens door de bevoegde autoriteiten met het oog op de voorkoming, het onderzoek, de opsporing en de vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen, met inbegrip van de bescherming tegen en de voorkoming van gevaren voor de openbare veiligheid. Op de verwerping van deze persoonsgegevens is de Wet politiegegevens van toepassing (Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 23 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:574).
De rechtbank heeft terecht overwogen dat het eventuele delen van informatie met het Regionaal Informatie- en Expertisecentrum (RIEC) plaatsvindt in het kader van handhaving van de rechtsorde en valt binnen de politietaak waarop de Wet politiegegevens van toepassing is. Deze gegevens blijven dus politiegegevens. De rechtbank heeft terecht geconcludeerd dat deze gegevens niet onder de AVG vallen. Verder heeft [appellant] niet aannemelijk gemaakt dat er bij de FIOD meer op hem betrekking hebbende gegevens zijn die onder de AVG vallen. Het betoog slaagt niet.
3.       [appellant] betoogt dat de rechtbank de minister van Financiën een dwangsom had moeten opleggen voor het geval dat achteraf blijkt dat er toch stukken worden achtergehouden.
3.1.    Dit betoog slaagt niet. Het besluit is niet onrechtmatig bevonden. In zoverre bestaat er geen grond voor het opleggen van een dwangsom. Er is verder geen wettelijke basis voor het opleggen van een last onder dwangsom voor een onzekere toekomstige gebeurtenis als door [appellant] gesteld.
4.       Het betoog van [appellant] dat de uitspraak van de rechtbank niet voldoet aan het motiverings- dan wel het zorgvuldigheidsbeginsel, heeft hij niet nader onderbouwd. Dat betoog kan dan ook niet leiden tot vernietiging van de uitspraak.
Overschrijding redelijke termijn
5.       Op de zitting heeft [appellant] verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn voor het doen van een uitspraak, als bedoeld in artikel 6 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM).
5.1.    De redelijke termijn voor het doen van een uitspraak is overschreden als de duur van de totale procedure te lang is. Voor zaken die uit een bezwaarschriftprocedure en twee rechterlijke instanties bestaan, is in beginsel een totale lengte van de procedure van ten hoogste vier jaar redelijk. De termijn vangt aan op het moment van ontvangst van het bezwaarschrift door het bestuursorgaan. De behandeling van het bezwaar mag ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar duren. Per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond, bestaat recht op een schadevergoeding van € 500,00. Zie de uitspraken van de Afdeling van 29 januari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:188, en 18 januari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:176.
5.2.    Op 10 september 2019 heeft de minister van Financiën het bezwaar van [appellant] ontvangen. In het besluit van 27 november 2019 heeft de minister op het bezwaar beslist. [appellant] heeft op 20 december 2019 daartegen beroep bij de rechtbank ingesteld. Op 22 november 2022 heeft de rechtbank uitspraak gedaan op dat beroep. Met de uitspraak van vandaag is de redelijke termijn van vier jaar met ongeveer twee maanden overschreden. Deze overschrijding is in zijn geheel toe te rekenen aan de rechtbank. De Afdeling zal daarom een schadevergoeding vaststellen van € 500,00 en bepalen dat deze ten laste komt van de Staat (de minister van Justitie en Veiligheid).
Conclusie
6.       Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank dient te worden bevestigd. De Afdeling zal de Staat (de minister van Justitie en Veiligheid) veroordelen tot een schadevergoeding van € 500,00 wegens het overschrijden van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van Pro het EVRM.
7.       De minister van Financiën en de Staat (de minister van Justitie en Veiligheid) hoeven geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        bevestigt de aangevallen uitspraak;
II.       veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) tot betaling aan [appellant] van een schadevergoeding van € 500,00.
Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. F.B. van der Maesen de Sombreff, griffier.
w.g. Verheij
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van der Maesen de Sombreff
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 8 november 2023
190-1050