ECLI:NL:RVS:2023:4851
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering toestemming beveiligingswerkzaamheden wegens onvoldoende betrouwbaarheid
Appellant verzocht de korpschef van politie om toestemming om beveiligingswerkzaamheden te verrichten voor Security Noord B.V. De korpschef weigerde deze toestemming op grond van artikel 7, vierde lid, van de Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus (Wpbr), omdat appellant niet beschikte over de vereiste betrouwbaarheid. Dit oordeel was mede gebaseerd op een vonnis van de rechtbank Overijssel waarin appellant veroordeeld werd voor het medeplegen van opzettelijke schending van een wettelijke geheimhoudingsplicht.
Appellant maakte bezwaar tegen het besluit, dat door de korpschef en later door de rechtbank werd afgewezen. In hoger beroep voerde appellant aan dat de korpschef onvoldoende rekening had gehouden met de aard van het delict, de omstandigheden, zijn persoonlijke ontwikkelingen en het feit dat het vonnis nog niet onherroepelijk was. Tevens stelde hij dat de weigering hem onevenredig zou treffen.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de korpschef ruime beoordelingsruimte heeft bij het bepalen van betrouwbaarheid en dat de veroordeling voor het schenden van de geheimhoudingsplicht voldoende grond is om appellant onbetrouwbaar te achten. Andere omstandigheden werden niet verder onderzocht. Het dwingendrechtelijke karakter van artikel 7, vierde lid, Wpbr laat geen ruimte voor een belangenafweging of voor het verlenen van toestemming onder voorwaarden. Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Afdeling bevestigt de weigering van de korpschef om appellant toestemming te verlenen voor beveiligingswerkzaamheden wegens onvoldoende betrouwbaarheid.