ECLI:NL:RVS:2023:710
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vaststelling en terugvordering huurtoeslag 2018 ondanks geringe inkomensoverschrijding
De zaak betreft het verzoek van appellant om herziening van de definitieve berekening van de huurtoeslag over 2018, waarbij de Belastingdienst/Toeslagen een terugvordering van €3.503 heeft vastgesteld wegens overschrijding van het norminkomen met €796 bruto door een bonus en vakantie-uitbetaling.
De rechtbank wees het beroep af, maar de Raad van State stelt vast dat de Belastingdienst ten onrechte de evenredigheid van de terugvordering niet heeft beoordeeld. De Afdeling bestuursrechtspraak vernietigt daarom het bestreden besluit en verklaart het beroep gegrond.
Desalniettemin oordeelt de Afdeling dat de terugvordering niet onevenredig is, omdat de bonus en vakantie-uitkering reguliere inkomensbestanddelen zijn en de terugvordering niet volledig aan de overschrijding kan worden toegerekend. Ook heeft appellant geen financiële problemen ondervonden.
De rechtsgevolgen van het vernietigde besluit blijven daarom in stand. De Belastingdienst moet het betaalde griffierecht aan appellant vergoeden.
De Afdeling bevestigt hiermee de strikte toepassing van de wettelijke regels rondom huurtoeslag en terugvordering, waarbij discretionaire bevoegdheid beperkt is en de hardheidsclausule niet van toepassing is buiten de limitatieve opsomming in de Uitvoeringsregeling Awir.
Uitkomst: Het hoger beroep is gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd, maar de terugvordering van €3.503 blijft in stand.