ECLI:NL:RVS:2023:888
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak rechtbank over afwijzing verblijfsdocument voor moeder van Nederlandse kinderen
De vreemdeling, moeder van drie minderjarige Nederlandse kinderen, vroeg om een verblijfsdocument als bedoeld in artikel 9 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. De staatssecretaris wees de aanvraag af omdat zij niet aannemelijk had gemaakt dat zij een familierechtelijke relatie met de kinderen had, mede vanwege tegenstrijdigheden tussen haar identiteit en de geboorteakten van de kinderen.
De rechtbank volgde dit standpunt en wees het beroep af zonder inhoudelijk te toetsen of er sprake was van een afhankelijkheidsrelatie zoals bedoeld in het arrest Chavez-Vilchez van het Hof van Justitie van de EU. In hoger beroep stelde de vreemdeling dat het niet aannemelijk maken van de familierechtelijke band geen vereiste is voor een beroep op artikel 20 VWEU Pro en dat de staatssecretaris de afhankelijkheidsrelatie wel degelijk had moeten beoordelen.
De Raad van State oordeelde dat de rechtbank ten onrechte de geboorteakten zwaarder had laten wegen dan het DNA-onderzoek waaruit de biologische moederband blijkt. Ook is het niet vereist dat de ouder het gezag over het kind heeft om aanspraak te maken op verblijfsrecht op grond van artikel 20 VWEU Pro. De Afdeling vernietigde daarom de uitspraak van de rechtbank en het besluit van de staatssecretaris en veroordeelde de staatssecretaris tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank en het besluit van de staatssecretaris worden vernietigd.