AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken belang bij asielprocedure
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid heeft op 24 mei 2023 besloten de aanvraag van de vreemdeling om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling te nemen. De vreemdeling stelde hiertegen beroep in bij de rechtbank Den Haag, die dit beroep op 19 juli 2023 ongegrond verklaarde.
De vreemdeling stelde vervolgens hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Tijdens de zitting op 17 oktober 2023 werd besproken dat de overdrachtstermijn niet was opgeschort en op 25 juli 2023 was verstreken, waardoor de staatssecretaris verplicht was de vreemdeling op te nemen in de nationale asielprocedure. De staatssecretaris bevestigde dit in januari 2024.
Omdat er geen onduidelijkheid meer bestaat over welke lidstaat verantwoordelijk is voor de asielaanvraag, heeft de vreemdeling geen belang meer bij de inhoudelijke beoordeling van haar hoger beroep. Daarom verklaart de Raad van State het hoger beroep niet-ontvankelijk en hoeft de staatssecretaris geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep van de vreemdeling is niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van belang bij inhoudelijke beoordeling.
Uitspraak
202304662/1/V3.
Datum uitspraak: 13 maart 2024
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 19 juli 2023 in zaak nr. NL23.15420 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 24 mei 2023 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
Bij uitspraak van 19 juli 2023 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling hoger beroep ingesteld.
De staatssecretaris heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 17 oktober 2023, waar de vreemdeling, bijgestaan door mr. F.J.M. Schonkeren, advocaat te Tilburg, en de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. D.P.A. van Laarhoven, zijn verschenen. De zaak is gelijktijdig behandeld met zaken nrs. 202304212/1/V3, 202304307/1/V3 en 202305005/1/V3.
De staatssecretaris heeft een nader stuk ingediend.
De Afdeling heeft partijen meegedeeld dat het onderzoek met toepassing van artikel 8:68 vanPro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) is heropend.
Geen van de partijen heeft binnen de gestelde termijn verklaard gebruik te willen maken van het recht ter zitting te worden gehoord, waarna de Afdeling het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, gelezen in verbinding met artikel 8:108, eerste lid, van de Awb, heeft gesloten.
Overwegingen
1. Tijdens de zitting van 17 oktober 2023 is onder andere de overdrachtstermijn besproken en heeft de vreemdeling toegelicht dat in beroep geen voorlopige voorziening is toegewezen. Gelet op het arrest van het Hof van Justitie van 30 maart 2023, E.E., S.N. en J.Y., ECLI:EU:C:2023:272 en de uitspraken van de Afdeling van 22 november 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4198 en ECLI:NL:RVS:2023:4199, is de overdrachtstermijn daarom niet opgeschort en is deze verstreken op 25 juli 2023. De staatssecretaris is daarom verplicht de vreemdeling op te nemen in de nationale asielprocedure. In de brief van 4 januari 2024 heeft de staatssecretaris te kennen gegeven dit ook te doen. Er bestaat dan ook geen onduidelijkheid meer over de vraag welke lidstaat verantwoordelijk is voor de asielaanvraag. De vreemdeling heeft daarom geen belang bij een inhoudelijke beoordeling van haar hoger beroep.
2. Het hoger beroep is niet-ontvankelijk. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, voorzitter, en mr. N. Verheij en mr. J.H. van Breda, leden, in tegenwoordigheid van mr. T.W.A. Weber, griffier.