ECLI:NL:RVS:2024:1327
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit inreisverbod wegens onvoldoende motivering buitenschuldbeleid
De vreemdeling, sinds 1999 zonder verblijfsstatus in Nederland, werd in 2006 ongewenst verklaard. Na eerdere vernietiging van een besluit tot opheffing van deze verklaring met inreisverbod, vaardigde de staatssecretaris in 2019 opnieuw een inreisverbod uit. De vreemdeling stelde dat hij op grond van het buitenschuldbeleid recht heeft op een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd omdat hij buiten zijn schuld niet kan vertrekken.
De rechtbank vernietigde het besluit in eerste aanleg maar liet de rechtsgevolgen in stand. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelt dat de staatssecretaris onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de vreemdeling niet aan de vereisten van het buitenschuldbeleid voldoet, mede gelet op zijn mogelijke staatloosheid door deregistratie in Azerbeidzjan.
De Afdeling stelt dat de staatssecretaris onvoldoende rekening heeft gehouden met de overgelegde ambtsberichten en documenten die de staatloosheid en identiteit van de vreemdeling ondersteunen. Ook is niet adequaat ingegaan op de gevolgen van staatloosheid voor de bewijsvereisten en terugkeerinspanning.
De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank voor zover deze de rechtsgevolgen van het besluit in stand liet en beveelt een nieuwe besluitvorming waarbij de staatssecretaris de motivering en bewijsvoering adequaat moet onderbouwen. Tevens wordt de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: Het besluit tot oplegging van het inreisverbod wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor nieuwe besluitvorming.