ECLI:NL:RVS:2024:1392
Raad van State
- Hoger beroep
- B.P.M. van Ravels
- Rechtspraak.nl
Beoordeling belanghebbendheid bij omgevingsvergunning voor loods in Volkel
Het college van burgemeester en wethouders van Uden verleende op 5 juni 2020 een omgevingsvergunning aan een vergunninghouder voor het bouwen van een nieuwe loods aan een locatie in Volkel. Deze loods vervangt een bestaande loods en heeft een iets grotere oppervlakte en inhoud. Appellante A en appellant B maakten bezwaar tegen deze vergunning, waarbij zij stelden belanghebbenden te zijn. De rechtbank oordeelde dat appellante A geen belanghebbende is vanwege het ontbreken van een rechtstreeks belang en dat appellant B ten onrechte als belanghebbende was aangemerkt.
In hoger beroep betoogden appellanten dat zij wel belanghebbenden zijn. Appellant B stelde dat zijn perceel gelijkgesteld moet worden met een aangrenzend perceel en dat feitelijke gevolgen van enige betekenis aanwezig zijn. De Afdeling oordeelde echter dat de geringe uitbreiding van de loods en de afwezigheid van zicht op de loods uitsluiten dat appellant B feitelijke gevolgen ondervindt.
Appellante A beriep zich op een concurrentiebelang, aangezien zij in hetzelfde marktsegment en verzorgingsgebied actief is als de vergunninghouder. De Afdeling bevestigde dat hoewel concurrentiebelangen in beginsel als rechtstreeks betrokken worden beschouwd, de geringe toename van de opslagcapaciteit het uitgesloten maakt dat zij feitelijke gevolgen ondervindt.
De Afdeling concludeerde dat noch appellant B noch appellante A als belanghebbenden kunnen worden aangemerkt en verklaarde het hoger beroep ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd en het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de appellanten worden niet als belanghebbenden erkend.