AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Afwijzing verzoek proceskosten na intrekking hoger beroep verblijfsvergunning asiel
De vreemdeling stelde hoger beroep in tegen een uitspraak van de rechtbank Den Haag over een verblijfsvergunning asiel. Vervolgens trok hij het hoger beroep in en verzocht om de staatssecretaris te veroordelen in de proceskosten.
De staatssecretaris had de aanvraag van de vreemdeling om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingewilligd, waarbij de beslistermijn rechtmatig met negen maanden was verlengd. De Afdeling bestuursrechtspraak overwoog dat de staatssecretaris binnen de termijn van vijftien maanden na indiening van de aanvraag een besluit had genomen.
Gezien deze omstandigheden zag de Afdeling geen reden om de staatssecretaris in de proceskosten te veroordelen en wees het verzoek af. De uitspraak werd gedaan door de enkelvoudige kamer van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op 4 april 2024.
Uitkomst: Het verzoek om de staatssecretaris te veroordelen in proceskosten wordt afgewezen.
Uitspraak
202400111/1/V1.
Datum uitspraak: 4 april 2024
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 20 december 2023 in zaak nr. NL23.18817 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. S. Thelosen, advocaat te Amsterdam, heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van 20 december 2023.
De vreemdeling heeft het hoger beroep ingetrokken en de Afdeling verzocht om de staatssecretaris te veroordelen in de bij hem opgekomen proceskosten.
De staatssecretaris heeft een nader stuk ingediend.
Overwegingen
1. De vreemdeling heeft het hoger beroep ingetrokken en gelijktijdig een verzoek gedaan om de staatssecretaris krachtens artikel 8:75 vanPro de Awb in de proceskosten te veroordelen. Daarvoor kan aanleiding bestaan als de staatssecretaris aan de vreemdeling tegemoet is gekomen of als het belang bij een uitspraak op het hoger beroep anderszins door zijn toedoen is vervallen (uitspraak van de Afdeling van 5 augustus 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1855, onder 2.1).
2. De staatssecretaris heeft bij besluit van 22 januari 2024 een aanvraag van de vreemdeling van 11 december 2022 om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingewilligd. Op de door de Afdeling in de uitspraak van 8 november 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4125, gestelde prejudiciële vragen heeft het Hof van Justitie nog geen antwoord gegeven. De Afdeling is, gelet op wat zij in de hiervoor genoemde uitspraak onder 22 tot en met 25 heeft overwogen, van oordeel dat er rekening mee moet worden gehouden dat de staatssecretaris met WBV 2022/22 de beslistermijn rechtmatig met negen maanden heeft verlengd. De staatssecretaris heeft binnen een termijn van vijftien maanden na indiening van de aanvraag een besluit genomen. De Afdeling ziet daarom geen aanleiding om de staatssecretaris in de proceskosten te veroordelen.
3. Het verzoek wordt afgewezen. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. V.V. Essenburg, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. F.W. de Lange, griffier.