ECLI:NL:RVS:2024:1449
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking verblijfsvergunning kennismigrant wegens aandeelhouderschap
De vreemdeling kreeg vanaf 1 september 2015 een verblijfsvergunning als kennismigrant. In 2020 vroeg zij een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen of een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd aan. De staatssecretaris trok haar verblijfsvergunning met terugwerkende kracht tot 6 juli 2018 in en wees haar aanvraag af, omdat zij sinds die datum enig aandeelhouder was van de moederonderneming, waardoor zij niet langer voldeed aan de voorwaarden voor kennismigrant.
De vreemdeling betoogde dat het zijn van zelfstandige en kennismigrant elkaar niet uitsluiten en dat de intrekking niet evenredig was. De Afdeling oordeelde dat de arbeidsverhouding vanaf het moment van aandeelhouderschap ontbreekt en dat de staatssecretaris terecht de intrekking met terugwerkende kracht toepaste. Ook werd geoordeeld dat de intrekking niet in strijd is met artikel 8 EVRM Pro, omdat de vreemdeling onvoldoende onderbouwde waarom haar partner zich niet in Rusland kan vestigen en het belang van een restrictief toelatingsbeleid zwaarder weegt.
Verder werd geoordeeld dat de staatssecretaris geen voornemen hoefde uit te brengen omdat de vreemdeling zelf de relevante gegevens had verstrekt, en dat het horen in bezwaar kon worden achterwege gelaten omdat het bezwaar kennelijk ongegrond was. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de intrekking van de verblijfsvergunning met terugwerkende kracht bevestigd.