ECLI:NL:RVS:2024:2254
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Veroordeling staatssecretaris tot vergoeding proceskosten in hoger beroep tegen bewaring vreemdeling
Bij besluit van 16 maart 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid de vreemdeling in bewaring gesteld. De vreemdeling maakte bezwaar tegen deze bewaring en stelde beroep in bij de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 's-Hertogenbosch. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af.
De vreemdeling stelde vervolgens hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. In het hoger beroep werd geoordeeld dat de rechtbank ten onrechte heeft nagelaten de staatssecretaris te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten die de vreemdeling in verband met het beroep heeft gemaakt. Dit omdat onduidelijk was of bij het gehoor voor inbewaringstelling gebruik was gemaakt van een beëdigde tolk, zoals vereist volgens de Wet beëdigde tolken en vertalers.
De Afdeling vernietigde daarom het deel van de uitspraak van de rechtbank dat betrekking had op de proceskosten en veroordeelde de staatssecretaris tot vergoeding van € 2.625,00 aan proceskosten, toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Voor het overige werd de uitspraak van de rechtbank bevestigd, en werd geen reden gezien om de bewaring onrechtmatig te achten.
Uitkomst: De staatssecretaris wordt veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdeling ter hoogte van € 2.625,00.