ECLI:NL:RVS:2024:2421
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing schadevergoeding wegens onrechtmatige intrekking rijbewijs
Appellant verzocht het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR) te veroordelen tot schadevergoeding wegens het onrechtmatig ongeldig verklaren van zijn rijbewijs van 13 november 2020 tot 21 januari 2021. Hij stelde inkomensschade te hebben geleden omdat hij zijn bouwbedrijf minder kon aansturen en kosten had kunnen maken voor het inhuren van een chauffeur. Ook vorderde hij vergoeding van immateriële schade wegens psychische problemen.
De rechtbank wees het verzoek af omdat appellant de gestelde inkomensschade en het causaal verband met het besluit onvoldoende aannemelijk had gemaakt en de chauffeurskosten niet daadwerkelijk had gemaakt. Ook was onvoldoende onderbouwd dat sprake was van geestelijk letsel dat vergoeding rechtvaardigt.
In hoger beroep bevestigt de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State deze beoordeling. Uit jurisprudentie volgt dat appellant de bewijslast draagt voor het oorzakelijk verband tussen het besluit en de schade. De aangeleverde gegevens en stellingen zijn onvoldoende concreet en objectief om dit verband aannemelijk te maken. Ook de immateriële schade is niet voldoende onderbouwd. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van het verzoek om schadevergoeding bevestigd.