ECLI:NL:RVS:2024:2425

Raad van State

Datum uitspraak
13 juni 2024
Publicatiedatum
13 juni 2024
Zaaknummer
202207254/1/V3
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • H.G. Sevenster
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbDublinverordening
Verwijzingen
4 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijk verklaring incidenteel hoger beroep in asielzaak na intrekking hoger beroep staatssecretaris

Bij besluiten van 4 en 18 november 2022 had de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid de aanvraag van de vreemdeling om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond en vernietigde deze besluiten, waarbij de staatssecretaris werd opgedragen een nieuw besluit te nemen.

De staatssecretaris stelde vervolgens hoger beroep in tegen deze uitspraak, terwijl de vreemdeling incidenteel hoger beroep instelde. Na verzoek om nadere schriftelijke inlichtingen trok de staatssecretaris zijn hoger beroep in, omdat de vreemdeling niet tijdig was overgedragen aan Polen conform de Dublinverordening en hij daardoor geen belang meer had bij het hoger beroep.

De Afdeling bestuursrechtspraak besloot daarop alleen nog op het incidenteel hoger beroep van de vreemdeling te beslissen. Omdat de staatssecretaris de asielaanvraag alsnog in behandeling had genomen, had de vreemdeling onvoldoende belang bij een inhoudelijke beoordeling van zijn incidenteel hoger beroep. Daarom werd het incidenteel hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard en werden geen proceskosten toegewezen aan de vreemdeling.

Uitkomst: Het incidenteel hoger beroep van de vreemdeling is niet-ontvankelijk verklaard nadat de staatssecretaris zijn hoger beroep introk en de asielaanvraag alsnog in behandeling nam.

Uitspraak

202207254/1/V3.
Datum uitspraak: 13 juni 2024
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 14 december 2022 in zaak nr. NL22.22725 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris.
Procesverloop
Bij besluit van 4 november 2022, aangevuld bij besluit van 18 november 2022, heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
Bij uitspraak van 14 december 2022 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, die besluiten vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van de uitspraak.
Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.
De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. E.R. Coene, advocaat te Amsterdam, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven en incidenteel hoger beroep ingesteld.
De vreemdeling heeft nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de staatssecretaris verzocht nadere schriftelijke inlichtingen te geven, waarna de staatssecretaris zijn hoger beroep heeft ingetrokken.
Overwegingen
1.       De staatssecretaris heeft de Afdeling bij brief van 30 januari 2024 desgevraagd laten weten dat hij het door hem ingestelde hoger beroep intrekt, omdat de vreemdeling niet binnen de termijnen van de Dublinverordening is overgedragen aan Polen en hij daarom geen belang meer heeft bij zijn hoger beroep.
2.       De Afdeling beslist daarom alleen nog op het incidenteel hoger beroep van de vreemdeling. Nadat de vreemdeling incidenteel hoger beroep heeft ingesteld in deze zaak, heeft de staatssecretaris zijn asielaanvraag alsnog in behandeling genomen. De vreemdeling heeft onvoldoende belang bij een inhoudelijke beoordeling van zijn incidenteel hoger beroep, omdat hij heeft bereikt wat hij met zijn incidenteel hoger beroep beoogt doordat de staatssecretaris zijn asielaanvraag alsnog inhoudelijk in behandeling heeft genomen (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 7 mei 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1253, onder 2).
3.       Het incidenteel hoger beroep is niet-ontvankelijk. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden. Hij heeft namelijk als gevolg van tijdsverloop de asielaanvraag alsnog in behandeling genomen. Hij is dus niet aan de vreemdeling tegemoetgekomen (zie de uitspraak van de Afdeling van 27 januari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:182, onder 2).
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het incidenteel hoger beroep niet-ontvankelijk.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J. van de Kolk, griffier.
w.g. Sevenster
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van de Kolk
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 13 juni 2024
873-985