ECLI:NL:RVS:2024:2654
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid hoger beroep tegen niet-behandeling asielaanvraag
De vreemdeling had een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, die door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid aanvankelijk niet in behandeling werd genomen. Hiertegen stelde de vreemdeling beroep in bij de rechtbank, dat ongegrond werd verklaard. Vervolgens stelde de vreemdeling hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Na het instellen van het hoger beroep heeft de staatssecretaris de asielaanvraag alsnog in behandeling genomen. Hierdoor heeft de vreemdeling bereikt wat hij met het hoger beroep beoogde, waardoor hij onvoldoende belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het hoger beroep.
De Raad van State oordeelt daarom dat het hoger beroep niet-ontvankelijk is. Tevens hoeft de staatssecretaris geen proceskosten te vergoeden, omdat hij niet aan de vreemdeling tegemoet is gekomen maar de aanvraag als gevolg van tijdsverloop alsnog in behandeling heeft genomen.
De uitspraak is gedaan door een enkelvoudige kamer van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op 28 juni 2024.
Uitkomst: Het hoger beroep is niet-ontvankelijk verklaard omdat de asielaanvraag inmiddels alsnog in behandeling is genomen.