ECLI:NL:RVS:2024:2815
Raad van State
- Hoger beroep
- C.J. Borman
- J.W. van de Gronden
- C.H. Bangma
- Rechtspraak.nl
Vernietiging boetes wegens onterecht opgelegde overtreding Huisvestingswet
Het college van burgemeester en wethouders van Den Haag legde op 17 november 2020 aan appellanten een boete van € 10.000,- op wegens het zonder vergunning omzetten van zelfstandige woonruimte in onzelfstandige woonruimten, met een last onder dwangsom. De boetes werden gehandhaafd door het college en de rechtbank verklaarde het beroep van appellanten ongegrond.
Appellanten stelden dat zij niet de overtreding hadden aanvaard en dat een huisbezoek in coronatijd niet redelijk was. Het college stelde dat zij als eigenaren beschikkingsmacht hadden en de overtreding hadden aanvaard door het nalaten van toezicht en controle.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat het college weliswaar het beschikkingscriterium had bewezen, maar niet dat appellanten de overtreding hadden aanvaard. De verklaringen van de huurder waren onvoldoende en er waren aanwijzingen dat appellanten de onderverhuur niet hadden goedgekeurd. Het nalaten van controle kon niet worden gezien als aanvaarden zonder concrete aanwijzingen.
Daarom vernietigde de Afdeling de boetes en de uitspraak van de rechtbank, herroept de besluiten van het college en veroordeelde het college tot vergoeding van proceskosten en griffierechten. De uitspraak van 10 juli 2024 treedt in de plaats van de vernietigde besluiten.
Uitkomst: De boetes wegens overtreding van de Huisvestingswet zijn vernietigd omdat niet is aangetoond dat appellanten de overtreding hebben aanvaard.