ECLI:NL:RVS:2024:3016
Raad van State
- Hoger beroep
- J.E.M. Polak
- J.M.L. Niederer
- M. Soffers
- Rechtspraak.nl
Bevestiging invordering dwangsom wegens overtreding bestemmingsplan door horecagebruik woonboerderij
Het college van burgemeester en wethouders van Oisterwijk legde in 2012 een last onder dwangsom op aan appellant wegens het gebruik van zijn woonboerderij in strijd met het bestemmingsplan voor horecadoeleinden. In 2019 constateerde een toezichthouder dat tijdens een lustrumviering van een bridgeclub het pand werd gebruikt voor een bijeenkomst waarbij eten en drinken werd geserveerd, waarvoor appellant €750 ontving. Het college vorderde daarop de dwangsom van €5.000 in. Appellant stelde bezwaar en beroep in, maar beide werden ongegrond verklaard.
In hoger beroep betoogde appellant dat de last onrechtmatig was opgelegd, dat geen sprake was van overtreding omdat er geen bedrijfsmatigheid was, en dat er sprake was van zicht op legalisatie vanwege een lopende vergunningaanvraag. De Afdeling oordeelde dat appellant deze gronden niet in deze procedure tegen de invordering kon aanvoeren, dat de overtreding wel was vastgesteld omdat het pand tegen vergoeding werd gebruikt voor horecagelegenheid, en dat de lopende vergunningaanvraag geen bijzondere omstandigheid vormde om van invordering af te zien.
De Afdeling bevestigde dat het college het controlerapport mocht gebruiken als bewijs en dat het gebruik van het pand voor de lustrumviering in strijd was met de last en het bestemmingsplan. De invordering van de dwangsom is in overeenstemming met het proportionaliteitsbeginsel en er zijn geen bijzondere omstandigheden die tot afzien van invordering leiden. Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de invordering van de dwangsom van €5.000 blijft in stand.