ECLI:NL:RVS:2024:3187
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vaststelling afwijzing machtiging voorlopig verblijf voor familieleden met Syrische nationaliteit
De zaak betreft het hoger beroep van de minister van Asiel en Migratie tegen een uitspraak van de rechtbank die het besluit tot afwijzing van machtigingen tot voorlopig verblijf (mvv) voor Syrische familieleden van een referent vernietigde. De vreemdelingen zijn moeder, stiefvader, zus, halfbroer en halfzus van de referent die sinds 2017 in Nederland verblijft met een verblijfsvergunning asiel.
De minister wees de mvv-aanvragen af omdat er geen familieleven bestond tussen de referent en zijn moeder volgens artikel 8 EVRM Pro, mede omdat de referent niet viel onder het jongvolwassenenbeleid en er geen bijkomende afhankelijkheid was. De rechtbank vernietigde dit besluit wegens onvoldoende motivering en ondeugdelijke belangenafweging.
De Raad van State oordeelt dat de minister zich wel degelijk deugdelijk heeft gemotiveerd, rekening houdend met de individuele omstandigheden en het jongvolwassenenbeleid. De minister heeft terecht geoordeeld dat de referent zelfstandig in zijn levensonderhoud voorziet en dat er geen bijkomende elementen van afhankelijkheid zijn. De belangenafweging behoefde daarom niet plaats te vinden. Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en het beroep ongegrond verklaard.
Uitkomst: De Raad van State vernietigt de uitspraak van de rechtbank en bevestigt dat de minister terecht de mvv-aanvragen heeft afgewezen wegens ontbreken van beschermenswaardig familieleven.