ECLI:NL:RVS:2024:334
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak rechtbank inzake afwijzing verblijfsvergunning familie- of gezinslid
De staatssecretaris heeft op 16 oktober 2019 een aanvraag van twee vreemdelingen voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd afgewezen. De vreemdelingen, geboren in Nederland en met Turkse nationaliteit, waren met hun moeder teruggekeerd naar Nederland in 2011. De rechtbank had het besluit van de staatssecretaris vernietigd en de vergunning toegekend.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelt dat de staatssecretaris niet alle relevante feiten en omstandigheden heeft betrokken in de belangenafweging op grond van artikel 8 EVRM Pro, zoals het feit dat de vreemdelingen het grootste deel van hun leven en vormingsjaren in Nederland hebben doorgebracht. Wel is terecht geoordeeld dat de staatssecretaris niet stil heeft gezeten sinds 2012, gezien de verschillende procedures en procedureel rechtmatig verblijf.
De Afdeling stelt dat de rechtbank onvoldoende terughoudend is geweest door zelf een belangenafweging te maken en het besluit van de staatssecretaris te herroepen. De rechtbank heeft ten onrechte haar eigen oordeel in de plaats gesteld van dat van de staatssecretaris, waardoor deze niet de kans kreeg zijn standpunt deugdelijk te motiveren.
De Afdeling verklaart het hoger beroep gegrond, vernietigt het deel van de uitspraak van de rechtbank dat het besluit van 16 oktober 2019 herroept en de vergunning oplegt, en bevestigt het overige. De staatssecretaris dient een nieuw besluit te nemen waarbij deze uitspraak in acht wordt genomen. De proceskostenveroordeling aan de vreemdelingen wordt herzien, en de staatssecretaris hoeft de proceskosten in hoger beroep niet te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, het deel van de uitspraak van de rechtbank dat de vergunning oplegt wordt vernietigd, en de staatssecretaris moet een nieuw besluit nemen.