ECLI:NL:RVS:2024:3345

Raad van State

Datum uitspraak
20 augustus 2024
Publicatiedatum
19 augustus 2024
Zaaknummer
202403250/1/V3
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 Vw 2000Art. 5.3 Vb 2000Art. 91, tweede lid, Vw 2000Art. 8:54, eerste lid, Awb
Verwijzingen
7 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen bewaring vreemdeling en proceskostenveroordeling minister

De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid stelde de vreemdeling op 26 april 2024 in bewaring. De vreemdeling stelde beroep in tegen deze bewaring en tegen de proceskostenveroordeling die de rechtbank aan de vreemdeling had toegekend. De rechtbank oordeelde dat de minister niet voldeed aan de informatieplicht, maar dat dit gebrek niet leidde tot onrechtmatigheid van de bewaring. De rechtbank veroordeelde de minister tot betaling van proceskosten aan de vreemdeling.

In hoger beroep klaagde de minister over het oordeel dat sprake was van een gebrek, waarbij de Afdeling bestuursrechtspraak verwees naar eerdere uitspraken waarin werd bevestigd dat het verstrekken van een informatiefolder voldoet aan de informatieplicht. Daarnaast slaagde de minister in zijn grief dat de proceskostenveroordeling onterecht was.

Het hoger beroep van de vreemdeling leidde niet tot vernietiging van het vonnis, omdat de belangenafweging door de rechtbank terecht in het voordeel van de minister was gemaakt. De Afdeling bestuursrechtspraak vernietigde daarom de proceskostenveroordeling en bevestigde het overige oordeel van de rechtbank. De bewaring werd niet onrechtmatig bevonden en de minister hoeft geen proceskosten in hoger beroep te vergoeden.

Uitkomst: Het hoger beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard, het hoger beroep van de minister gegrond, en de proceskostenveroordeling tegen de minister wordt vernietigd.

Uitspraak

202403250/1/V3.
Datum uitspraak: 20 augustus 2024
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op de hoger beroepen van:
1.       [de vreemdeling],
2.       de minister van Asiel en Migratie,
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 17 mei 2024 in zaak nr. NL24.18958 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluit van 26 april 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid de vreemdeling in bewaring gesteld.
Bij uitspraak van 17 mei 2024 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Tegen deze uitspraak hebben de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. S.B. Kleerekooper, advocaat in Hoenderloo, en de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.
De vreemdeling heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Overwegingen
1.       De minister heeft de vreemdeling op 26 april 2024 in bewaring gesteld krachtens artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000. De rechtbank heeft overwogen dat de minister bij het in bewaring stellen van de vreemdeling niet heeft voldaan aan zijn informatieplicht uit artikel 5.3, eerste lid, derde zin, van het Vb 2000. De rechtbank is van oordeel dat sprake is van een gebrek, maar dat dit gebrek niet maakt dat de bewaring onrechtmatig is, omdat de ernst van het gebrek niet opweegt tegen de belangen die met de bewaring zijn gediend. De rechtbank heeft de minister veroordeeld in de proceskosten.
Het hoger beroep van de minister
2.       De minister klaagt in zijn eerste grief over het oordeel van de rechtbank dat sprake is van een gebrek. Hij betoogt dat zijn gewijzigde werkwijze, die inhoudt dat hij aan de vreemdeling die in bewaring wordt gesteld een informatiefolder verstrekt in een taal die de vreemdeling verstaat of waarvan redelijkerwijs kan worden aangenomen dat hij die verstaat, in overeenstemming is met artikel 5.3, eerste lid, derde zin, van het Vb 2000. In de tweede grief klaagt de minister dat, als er al een gebrek zou moeten worden aangenomen, de rechtbank in ieder geval ten onrechte heeft vastgesteld dat hij daarom proceskosten is verschuldigd aan de vreemdeling.
2.1.    De in de eerste grief opgeworpen rechtsvraag of de minister met het verstrekken van de informatiefolder voldoet aan zijn informatieplicht, heeft de Afdeling beantwoord in de uitspraak van 24 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2979. Uit wat de Afdeling onder 3.1 en 3.2, heeft overwogen, volgt dat de eerste grief faalt.
2.2.    De in de tweede grief aan de orde gestelde rechtsvraag over de proceskosten, heeft de Afdeling beantwoord in de uitspraak van 15 november 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4180. Uit wat de Afdeling onder 10 heeft overwogen, volgt de tweede grief slaagt.
Het hoger beroep van de vreemdeling
3.       Het hoger beroep van de vreemdeling leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De rechtbank heeft namelijk terecht na de vaststelling van een gebrek een belangenafweging gemaakt en deze in het voordeel van de minister laten uitvallen (vergelijk de hierboven genoemde uitspraak van 24 juli 2024, onder 4.1 en 5).
3.1.    Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
De conclusie
4.       Het hoger beroep van de vreemdeling is ongegrond en het hoger beroep van de minister is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd, voor zover de rechtbank de minister heeft veroordeeld in de proceskosten van de vreemdeling. De uitspraak van de rechtbank wordt voor het overige bevestigd. De Afdeling ziet ambtshalve toetsend geen reden om de bewaring onrechtmatig te achten. De minister hoeft geen proceskosten in hoger beroep te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        verklaart het hoger beroep van de vreemdeling ongegrond;
II.       verklaart het hoger beroep van de minister gegrond;
III.      vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 17 mei 2024 in zaak nr. NL24.18958, voor zover de rechtbank de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van de bij de vreemdeling opgekomen proceskosten heeft veroordeeld;
IV.      bevestigt de uitspraak van de rechtbank voor het overige.
Aldus vastgesteld door mr. A.J.C. de Moor-van Vugt, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. D.I. Schipper, griffier.
w.g. De Moor-van Vugt
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Schipper
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 20 augustus 2024
872