ECLI:NL:RVS:2024:335
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing verblijfsvergunning en toekenning schadevergoeding wegens termijnoverschrijding
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 18 november 2019 een aanvraag van de vreemdeling om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd af. Na bezwaar en een heroverweging verleende de staatssecretaris op 11 oktober 2021 alsnog de vergunning met ingang van 21 september 2021. De rechtbank vernietigde bij uitspraak van 10 mei 2022 het deel van het besluit dat de ingangsdatum van de vergunning vaststelde en stelde een andere ingangsdatum vast.
De vreemdeling ging in hoger beroep tegen deze uitspraak, maar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard omdat het geen nieuwe rechtsvragen bevatte die beantwoording behoefden.
Daarnaast verzocht de vreemdeling om een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. De Afdeling constateerde dat de totale procedure ruim vier jaar en twee maanden duurde, wat twee maanden langer is dan de redelijke termijn. De overschrijding werd volledig toegerekend aan de staatssecretaris. Daarom werd een schadevergoeding van € 500,00 toegekend, vermeerderd met wettelijke rente.
De staatssecretaris werd tevens veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van het verzoek om schadevergoeding, vastgesteld op € 437,50. De Afdeling stelde hiermee het geschil definitief vast en bevestigde de eerdere uitspraak van de rechtbank.
Uitkomst: Hoger beroep ongegrond verklaard, schadevergoeding van € 500 toegekend wegens termijnoverschrijding.