ECLI:NL:RVS:2024:3653
Raad van State
- Hoger beroep
- J.H. van Breda
- J.Th. Drop
- J. Schipper-Spanninga
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing machtiging voorlopig verblijf op grond van artikel 8 EVRM
De vreemdeling, een Jezidi uit Irak, verzocht om een machtiging tot voorlopig verblijf bij haar zoon en diens gezin. De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees dit verzoek op 7 juli 2021 af, waarna bezwaar en beroep werden ingesteld en afgewezen door de rechtbank.
De Raad van State oordeelt dat tussen de vreemdeling en haar zoon geen familieleven in de zin van artikel 8 EVRM Pro bestaat, omdat er geen bijkomende afhankelijkheidselementen zijn die de gebruikelijke emotionele banden overstijgen. Wel is vastgesteld dat er familieleven bestaat tussen de vreemdeling en haar kleinkinderen.
De minister heeft een belangenafweging gemaakt waarin het belang van de Nederlandse Staat zwaarder weegt dan dat van de vreemdeling en haar kleinkinderen. De Raad van State stelt vast dat de minister de persoonlijke veiligheidssituatie van de vreemdeling en haar verblijf in een vluchtelingenkamp in Irak heeft meegewogen, maar hieraan geen doorslaggevende betekenis heeft toegekend.
De Raad van State bevestigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het hoger beroep ongegrond. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de machtiging tot voorlopig verblijf bevestigd.