ECLI:NL:RVS:2024:3957
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing verzoek overkomst Afghaanse medewerker EUPOL naar Nederland
Appellanten, een Afghaanse man, zijn vrouw en vier kinderen, verzochten de minister van Buitenlandse Zaken om hun overkomst naar Nederland te faciliteren vanwege zijn werkzaamheden als elektricien voor de European Union Police Mission in Afghanistan (EUPOL) van 2007 tot 2016. De minister wees het verzoek af omdat appellanten niet vallen onder de in oktober 2021 vastgestelde speciale voorziening voor evacuatie.
De kern van het geschil betrof de vraag of appellant onder de tweede groep viel: personen die ten minste een jaar structureel substantiële werkzaamheden hebben verricht voor een Nederlandse functionaris van EUPOL in een voor het publiek zichtbare functie. Appellant stelde dat hij voor een Nederlandse functionaris werkte en dat hij was opgeroepen voor evacuatie, maar de minister en rechtbank oordeelden dat dit niet aannemelijk was.
De Raad van State overwoog dat de oproep tot evacuatie door een internationale organisatie was gedaan en niet door Nederland zelf, zoals vereist volgens het beleid. Ook stelde de Afdeling dat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij specifiek voor een Nederlandse functionaris werkte. De motivering van het besluit was voldoende, ondanks dat de speciale voorziening niet als beleidsregel was gepubliceerd.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit van de minister tot afwijzing van het verzoek tot overkomst wordt bevestigd.