ECLI:NL:RVS:2024:4039
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen opheffing bewaring vreemdeling wegens misbruik van recht bij Unieregeling
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid stelde de vreemdeling op 27 maart 2024 in bewaring. De vreemdeling diende een aanvraag in voor inschrijving als burger van de Unie, wat de rechtbank op 10 april 2024 als procedureel rechtmatig verblijf beoordeelde en de bewaring ophefte met schadevergoeding.
De minister stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelt dat de aanvraag van de vreemdeling kunstmatig was ingediend om de voorwaarden voor procedureel rechtmatig verblijf te creëren en zo invrijheidsstelling te voorkomen, terwijl het doel van de Unieregeling niet werd bereikt.
De vreemdeling had geen geloofwaardige stukken overgelegd en diende de aanvraag pas vlak voor de bewaring in, ondanks langdurig verblijf en eerdere verwijderingsmaatregel. De Afdeling vernietigt het vonnis van de rechtbank en verklaart het beroep ongegrond, wijzend het verzoek om schadevergoeding af.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, het vonnis van de rechtbank vernietigd en het beroep alsnog ongegrond verklaard, met afwijzing van het verzoek om schadevergoeding.