ECLI:NL:RVS:2024:2709
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Sevenster
- N. Verheij
- A.J.C. de Moor-van Vugt
- Rechtspraak.nl
Vaststelling misbruik van recht bij inbewaringstelling vreemdeling na aanvraag toetsing EU-recht
Een vreemdeling met de Algerijnse nationaliteit werd op 25 maart 2024 in bewaring gesteld door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Deze maatregel volgde op eerdere bewaring en een strafrechtelijke detentie. De vreemdeling diende op de dag van de voorgenomen uitzetting een derde asielaanvraag in en een aanvraag om toetsing aan het EU-recht, waarna de bewaring werd voortgezet.
De rechtbank oordeelde dat de aanvraag om toetsing aan het EU-recht procedureel rechtmatig verblijf opleverde en dat de bewaring daarom onrechtmatig was. De staatssecretaris stelde hoger beroep in en voerde aan dat sprake was van misbruik van recht, omdat de aanvraag onvolledig was en geen geloofwaardige aanknopingspunten voor EU-verblijfsrecht bevatte.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State stelde vast dat het verbod op misbruik van recht een algemeen beginsel van het Unierecht is en dat de staatssecretaris dit voldoende had gemotiveerd. De vreemdeling had de aanvraag ingediend met de intentie om kunstmatig procedureel rechtmatig verblijf te verkrijgen en daarmee zijn vrijheidsontneming te bewerkstelligen. De rechtbank had dit niet onderkend.
De Afdeling vernietigde het vonnis van de rechtbank, verklaarde het hoger beroep gegrond, het beroep ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. De bewaring op 25 maart 2024 was op juiste wettelijke grondslag gebaseerd.
Uitkomst: De Raad van State vernietigt het vonnis van de rechtbank en bevestigt dat de inbewaringstelling op 25 maart 2024 op juiste wettelijke grondslag berustte vanwege misbruik van recht door de vreemdeling.