ECLI:NL:RVS:2024:4229
Raad van State
- Hoger beroep
- J.H. van Breda
- C.C.W. Lange
- J. Schipper-Spanninga
- Rechtspraak.nl
Vaststelling geen bijkomende afhankelijkheid tussen referent en moeder in gezinsleven artikel 8 EVRM
De zaak betreft het hoger beroep van de minister van Asiel en Migratie tegen een uitspraak van de rechtbank Den Haag die het bezwaar van vreemdelingen tegen de afwijzing van hun machtiging tot voorlopig verblijf gegrond verklaarde. De vreemdelingen zijn familieleden van een referent met een verblijfsvergunning asiel.
De rechtbank had geoordeeld dat de minister onvoldoende onderzoek had gedaan naar de gezinsbanden en belangenafweging onder artikel 8 EVRM Pro, met name tussen de moeder en haar kinderen. De minister stelde echter dat tussen de moeder en referent geen bijkomende afhankelijkheid bestaat die de gebruikelijke emotionele banden overstijgt, waardoor er geen gezinsleven in de zin van artikel 8 EVRM Pro is.
De Afdeling bestuursrechtspraak stelt dat de minister volstaat met een deugdelijke beoordeling van de individuele omstandigheden om vast te stellen of er bijkomende afhankelijkheid is. De rechtbank had een te ruime onderzoeksplicht opgelegd. Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, het vonnis van de rechtbank vernietigd en het beroep van de vreemdelingen ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdelingen wordt ongegrond verklaard en het vonnis van de rechtbank vernietigd.