ECLI:NL:RVS:2024:4520
Raad van State
- Hoger beroep
- M. den Heyer
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid hoger beroep tegen niet tijdig besluit asielaanvraag
De vreemdeling stelde beroep in tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De rechtbank verklaarde dit beroep niet-ontvankelijk. Hiertegen stelde de vreemdeling hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Tijdens de procedure nam de minister op 11 april 2024 alsnog een besluit waarbij de aanvraag werd ingewilligd. De Afdeling oordeelt dat het hoger beroep tegen het niet tijdig nemen van het besluit daarmee geen belang meer heeft en verklaart het niet-ontvankelijk. Tevens wordt het beroep tegen het besluit van 11 april 2024 ongegrond verklaard, mede omdat de minister geen bestuurlijke dwangsom verschuldigd is wegens het te laat nemen van het besluit.
De Afdeling overweegt dat de minister de beslistermijn met negen maanden rechtmatig heeft verlengd, maar ook met deze verlenging de termijn van vijftien maanden is overschreden. Daarom veroordeelt de Afdeling de minister tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdeling, vastgesteld op € 437,50, toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
De uitspraak bevestigt de toepassing van de Tijdelijke wet opschorting dwangsommen IND en het ontbreken van een recht op bestuurlijke dwangsom in asielprocedures. Het hoger beroep wordt afgewezen wegens gebrek aan ontvankelijkheid en het beroep tegen het besluit wordt inhoudelijk ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het hoger beroep is niet-ontvankelijk verklaard en het beroep tegen het besluit van 11 april 2024 ongegrond; de minister is veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.