ECLI:NL:RVS:2024:4543
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing machtiging voorlopig verblijf wegens ontbreken gezinsleven artikel 8 EVRM
Bij besluit van 31 maart 2022 wees de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid de aanvraag van de vreemdeling om een machtiging tot voorlopig verblijf af. Na een ongegrond verklaard bezwaar en beroep bij de rechtbank, stelde de vreemdeling hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Afdeling overwoog dat er geen sprake is van 'more than the normal emotional ties' tussen de vreemdeling, haar kleinkinderen en referent, en dat er geen gezins- of familieleven in de zin van artikel 8, eerste lid, EVRM bestaat. De minister had zich deugdelijk gemotiveerd en hoefde geen belangenafweging te maken omdat er geen bijkomende elementen van afhankelijkheid zijn.
De overige aangevoerde grieven bevatten geen vragen die rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming in algemene zin dienen. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank bevestigd en de minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de machtiging voorlopig verblijf bevestigd.