Uitspraak
Datum uitspraak: 28 februari 2024
BESTUURSRECHTSPRAAK
lid van de enkelvoudige kamer
griffier
Raad van State
Appellante, eigenaar van een café in Amsterdam, vroeg in 2017 een exploitatievergunning en een Drank- en Horecavergunning aan. Het college weigerde de exploitatievergunning wegens slecht levensgedrag en stelde de Drank- en Horecavergunning buiten behandeling, waardoor appellante haar onderneming moest beëindigen en schade leed. Zij verzocht om openbaarmaking van alle documenten en correspondentie vanaf maart 2017 tot juni 2020 via een Wob-verzoek.
De rechtbank oordeelde dat het college de vijf geweigerde exploitatievergunningen terecht geheim hield op grond van de Wet Bibob (artikelen 7a en 28), omdat deze besluiten onderdeel zijn van het Bibob-onderzoek en persoonsgegevens bevatten. Ook de belangenafweging werd in het voordeel van het college gemaakt vanwege het voorkomen van onevenredige benadeling van de procespositie.
Appellante voerde aan dat de documenten geanonimiseerd openbaar gemaakt hadden kunnen worden en dat het geheimhouden leidt tot een machtsdisbalans. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State verwierp deze bezwaren, oordeelde dat het persoonlijke belang van appellante niet relevant is bij de Wob, en bevestigde dat het college het recht had de documenten vertrouwelijk te houden om de procespositie te beschermen.
De Afdeling concludeerde dat de rechtbank en het college terecht de weigering tot openbaarmaking hebben gehandhaafd en dat het hoger beroep ongegrond is. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van openbaarmaking wordt bevestigd.