ECLI:NL:RVS:2025:1832
Raad van State
- Eerste aanleg - meervoudig
- B.P.M. van Ravels
- J.Th. Drop
- C.C.W. Lange
- Rechtspraak.nl
Dienst Toeslagen onterecht geweigerd zorg- en huurtoeslag wegens verblijfsrecht toeslagpartner
De zaak betreft een geschil tussen appellante en de Dienst Toeslagen over de rechtmatigheid van het besluit om de zorg- en huurtoeslag voor de periode november 2019 tot en met september 2020 op nihil te stellen. De Dienst Toeslagen stelde dat de toeslagpartner van appellante geen afgeleid verblijfsrecht had op grond van artikel 20 van Pro het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), omdat er geen duurzame samenleving en afhankelijkheidsverhouding bestond.
De Afdeling bestuursrechtspraak verwijst naar eerdere uitspraken, waaronder het arrest XU en QP van het Hof van Justitie EU, waarin is bepaald dat bij duurzame samenleving en gedeeld gezag over een minderjarige Unieburger een vermoeden van afhankelijkheidsverhouding ontstaat. In deze zaak stond vast dat de toeslagpartner en appellante gedurende vijftien maanden samenwoonden en gezamenlijk gezag hadden over hun zoon, die de Nederlandse nationaliteit bezit.
De Afdeling oordeelt dat het vermoeden van afhankelijkheid niet is weerlegd door de Dienst Toeslagen. De onderzoeksrapportage bevestigt de affectieve en verzorgende relatie tussen de toeslagpartner en de zoon. Daarom had de toeslagpartner rechtmatig verblijf en had appellante recht op zorg- en huurtoeslag in de betwiste periode. Het besluit van 9 juli 2024 wordt vernietigd en de Dienst Toeslagen wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit dat zorg- en huurtoeslag werd geweigerd voor november 2019 tot en met september 2020 wordt vernietigd.