AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Niet-ontvankelijkheid hoger beroep tegen niet tijdig besluit verblijfsvergunning asiel
Appellanten hebben beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op hun aanvragen voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De rechtbank verklaarde dit beroep niet-ontvankelijk omdat de minister nog geen besluiten had genomen. Inmiddels heeft de minister bij besluiten van mei 2025 de aanvragen afgewezen.
De Afdeling bestuursrechtspraak stelt vast dat met deze besluiten het doel van de procedure is bereikt en dat het hoger beroep daarom niet ontvankelijk is. De Afdeling heeft prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van Justitie over de verlenging van beslistermijnen, maar deze zijn nog niet volledig beantwoord, waardoor de Afdeling eerst een einduitspraak moet doen.
De minister heeft de beslistermijn van vijftien maanden overschreden, ongeacht de rechtmatigheid van de verlenging, en wordt daarom veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van appellanten. Het beroep tegen de afgewezen aanvragen wordt van rechtswege doorverwezen naar de rechtbank Den Haag, zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch, die in eerste aanleg asielbesluiten toetst.
Uitkomst: Het hoger beroep tegen het niet tijdig nemen van besluiten is niet-ontvankelijk verklaard en het beroep tegen de afgewezen aanvragen is verwezen naar de rechtbank.
Uitspraak
202402078/1/V1.
Datum uitspraak: 28 juli 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:
[appellant A] en [appellant B],
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 6 maart 2024 in zaak nr. NL23.37828 in het geding tussen:
appellanten
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Appellanten hebben beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op aanvragen om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen.
Bij uitspraak van 6 maart 2024 heeft de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk verklaard.
Tegen deze uitspraak hebben appellanten, vertegenwoordigd door mr. P.Th. van Alkemade, advocaat in 's-Hertogenbosch, hoger beroep ingesteld.
Bij besluiten van 21 mei 2025 en 22 mei 2025 heeft de minister de aanvragen van appellanten afgewezen.
Appellanten hebben op verzoek van de Afdeling nadere stukken ingediend.
Overwegingen
1. Toen de rechtbank uitspraak deed op het beroep van appellanten tegen het niet tijdig nemen van een besluit, had de minister nog geen besluiten genomen op hun aanvragen van 16 februari 2023. Dat heeft de minister met de besluiten van 21 mei 2025 en 22 mei 2025 wel gedaan. Met het door de minister nemen van deze besluiten hebben appellanten het doel van deze procedure bereikt. Wat appellanten aanvoeren, schept geen belang voor het beoordelen van hun hoger beroep.
2. Het hoger beroep is niet ontvankelijk. De Afdeling heeft in haar uitspraken van 8 november 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4125, en 10 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2829, prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van Justitie om te kunnen bepalen of de minister de beslistermijn, met WBV 2022/22 en WBV 2023/3, heeft mogen verlengen. Het Hof heeft in zijn arrest van 8 mei 2025, ECLI:EU:C:2025:326, antwoord gegeven op de prejudiciële vragen die de Afdeling heeft gesteld in haar uitspraak van 8 november 2023, die gaan over WBV 2022/22. De Afdeling moet hierover eerst nog einduitspraak doen. Het Hof heeft nog geen antwoord gegeven op de prejudiciële vragen die de Afdeling heeft gesteld in de verwijzingsuitspraak van 10 juli 2024. Nadat de Afdeling einduitspraak doet in de verwijzingszaak die gaat over WBV 2022/22 zal zij bezien of verdere aanhouding van zaken die vallen onder WBV 2023/3 nodig is, vergelijk ook de uitspraak van de Afdeling van 14 mei 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2219, onder 1 en 2.
3. Het voorgaande heeft geen invloed op de vraag of appellanten hun proceskosten vergoed moeten krijgen. In dit geval heeft de minister bij besluiten van 21 mei 2025 en 22 mei 2025 de aanvragen van appellanten om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. Appellanten hebben die aanvragen op 16 februari 2023 ingediend. Dit betekent dat de minister, ongeacht de rechtmatigheid van de verlenging van de beslistermijn, ook de beslistermijn van vijftien maanden heeft overschreden. De Afdeling ziet daarom aanleiding om de minister in de proceskosten te veroordelen.
4. De minister moet de in verband met het hoger beroep gemaakte proceskosten vergoeden (een punt voor het hogerberoepschrift). Het hoger beroep gaat uitsluitend over het door de minister niet tijdig nemen van besluiten op de asielaanvragen. De Afdeling past daarom wegingsfactor 0,5 toe.
De besluiten van 21 mei 2025 en 22 mei 2025
5. De besluiten van 21 mei 2025 en 22 mei 2025 worden, gelet op artikel 6:20, derde lid, in samenhang gelezen met artikel 6:24 vanPro de Awb, van rechtswege geacht onderwerp te zijn van dit geding. Appellanten hebben bij brieven van 11 juni 2025 en 14 juli 2025 laten weten het niet eens te zijn met die besluiten.
6. De Afdeling ziet aanleiding om het van rechtswege ontstane beroep tegen de besluiten van 21 mei 2025 en 22 mei 2025, krachtens artikel 6:20, vierde lid, van de Awb, te verwijzen naar de rechtbank Den Haag, zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch. De Afdeling acht het passend dat de rechtbank het beroep tegen die besluiten toetst en dat tegen dat oordeel hoger beroep openstaat. De rechtbank is er namelijk op ingericht om in eerste aanleg asielbesluiten te toetsen en zitting te houden in dit soort zaken. Hiermee wordt ook recht gedaan aan de in afdeling 4 van hoofdstuk 7 van de Vw 2000 neergelegde functie van de hogerberoepsrechter.
7. De Afdeling verwijst het beroep naar de rechtbank Den Haag, zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
II. verwijst het beroep tegen de besluiten van 21 mei 2025, V-[...], en 22 mei 2025, V-[…], naar de rechtbank Den Haag, zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch;
III. veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij appellanten in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 453,50, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. M. den Heyer, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. Q. Boon, griffier.