ECLI:NL:RVS:2025:4041
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing aanvraag rechtmatig verblijf en toekenning schadevergoeding wegens termijnoverschrijding
Appellant had op 19 februari 2021 een aanvraag ingediend voor een document dat rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan aantoont. Deze aanvraag werd door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid afgewezen. Appellant maakte bezwaar, dat op 23 augustus 2023 opnieuw ongegrond werd verklaard. De rechtbank verklaarde het daarop ingestelde beroep op 17 juli 2024 eveneens ongegrond. Appellant stelde hiertegen hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Afdeling oordeelt dat het hoger beroep geen aanleiding geeft tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, omdat het geen relevante rechtsvragen bevat voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling. Wel wijst de Afdeling het verzoek van appellant om schadevergoeding toe wegens overschrijding van de redelijke termijn voor besluitvorming. De Afdeling stelt vast dat de procedure door meerdere instanties en herhaalde besluitvorming een redelijke termijn van vier jaar heeft overschreden.
De minister wordt veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding van €500 aan appellant en tot vergoeding van de proceskosten van €453,50 die appellant heeft gemaakt voor het verzoek om schadevergoeding. De Afdeling bevestigt daarmee de eerdere uitspraak van de rechtbank en wijst het hoger beroep af.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard, de afwijzing van de aanvraag bevestigd en een schadevergoeding toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn.