ECLI:NL:RVS:2025:4068

Raad van State

Datum uitspraak
27 augustus 2025
Publicatiedatum
25 augustus 2025
Zaaknummer
BRS.25.000413
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 Vw 2000Art. 50 Vw 2000Art. 50a Vw 2000Art. 62c Vw 2000Art. 8:54 Awb
Verwijzingen
8 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen bewaring vreemdeling wegens onjuiste staandehouding en ophouding

Appellant werd op 25 maart 2025 in bewaring gesteld door de minister van Asiel en Migratie. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen deze bewaring ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. Appellant stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak.

Het geschil betrof de grondslag van de staandehouding en ophouding van appellant. De minister had appellant op grond van artikel 50, eerste en derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 staande gehouden en opgehouden, terwijl appellant als Dublinclaimant rechtmatig verblijf had op grond van artikel 8, aanhef en onder m, van de Vw 2000. Appellant stelde dat de staandehouding en ophouding op grond van artikel 50a van de Vw 2000 hadden moeten plaatsvinden.

De Afdeling oordeelde dat appellant terecht stelde dat de verkeerde wettelijke grondslag was gebruikt, maar dat dit gebrek niet leidde tot onrechtmatigheid van de bewaring vanwege het belang van de maatregel en het risico op onttrekking. Wel vernietigde de Afdeling het vonnis voor zover de rechtbank had nagelaten de minister te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten wegens het gebrek in de staandehouding en ophouding. De minister werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten voor zowel het beroep als het hoger beroep.

De Afdeling bevestigde de rest van de uitspraak van de rechtbank en verbeterde de motivering. De uitspraak werd in het openbaar uitgesproken op 27 augustus 2025.

Uitkomst: Het hoger beroep is gegrond verklaard, de uitspraak deels vernietigd en de minister veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.

Uitspraak

BRS.25.000413
Datum uitspraak: 27 augustus 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 11 april 2025 in zaak nr. NL25.14910 in het geding tussen:
[appellant]
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 25 maart 2025 heeft de minister appellant in bewaring gesteld.
Bij uitspraak van 11 april 2025 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. F. Boone, advocaat in Berkel en Rodenrijs, hoger beroep ingesteld.
Op verzoek van de Afdeling heeft de minister nadere stukken overgelegd en een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Overwegingen
1.        Appellant is op 25 maart 2025 staande gehouden op grond van artikel 50, eerste lid, van de Vw 2000. Vervolgens is hij op grond van artikel 50, derde lid, van de Vw 2000 overgebracht en opgehouden.
Grondslag van de staandehouding en ophouding
2.        In de eerste grief betoogt appellant dat de rechtbank onterecht heeft overwogen dat de minister hem op grond van artikel 50, eerste lid, van de Vw 2000 mocht staandehouden en op grond van artikel 50, derde lid, van de Vw 2000 mocht ophouden. Dit had volgens hem op grond van artikel 50a van de Vw 2000 moeten plaatsvinden. Hij had namelijk als Dublinclaimant nog rechtmatig verblijf op grond van artikel 8, aanhef en onder m, van de Vw 2000.
3.        Een Dublinclaimant heeft rechtmatig verblijf op grond van artikel 8, aanhef en onder m, van de Vw 2000. Ingevolge artikel 62c, vierde lid, van de Vw 2000 heeft een vreemdeling geen rechtmatig verblijf meer op grond van artikel 8, onder m, van de Vw 2000, als hij Nederland kennelijk uit eigen beweging heeft verlaten, dan wel de feitelijke overdracht is gerealiseerd. Uit de uitspraak van de Afdeling van 11 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1164, onder 3.2, volgt dat, als een vreemdeling met onbekende bestemming uit het asielzoekerscentrum is vertrokken, hij geen rechtmatig verblijf meer heeft als bedoeld in artikel 8, aanhef en onder m, van de Vw 2000.
3.1.        De minister heeft in haar schriftelijke uiteenzetting toegelicht dat appellant niet met onbekende bestemming is vertrokken, maar dat zij een formulier Tijdelijk Buiten Bereik Autoriteiten heeft opgesteld (hierna: TBBA-formulier). Appellant had daarom nog rechtmatig verblijf. De minister had hem dus op grond van artikel 50a van de Vw 2000 moeten staandehouden en ophouden.
3.2.        Hoewel appellant terecht heeft betoogd dat hij op de verkeerde grondslag is staande gehouden en opgehouden, weegt de ernst van het gebrek niet op tegen de belangen die met de maatregel van bewaring gediend zijn. Voor de staandehouding en ophouding van appellant bestond een grondslag, namelijk artikel 50a van de Vw 2000. Daarnaast is het risico op onttrekking onbetwist in hoger beroep. Aan de maatregel van bewaring heeft de minister onder meer ten grondslag gelegd dat appellant zich eerder ook al aan een geplande overdracht heeft onttrokken door tijdelijk buiten het bereik van de autoriteiten te zijn. Ook heeft appellant geen materieel nadeel ondervonden. Het gebrek in de staandehouding en de ophouding leidt daarom niet tot onrechtmatigheid van de maatregel van bewaring.
3.3.        Omdat er een gebrek in de staandehouding en ophouding is, had de rechtbank de minister moeten veroordelen tot het vergoeden van de proceskosten. Zie de uitspraak van de Afdeling van 3 mei 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1498, onder 2.2.
3.4.        De grief slaagt.
4.        De tweede grief heeft geen zelfstandige betekenis.
Conclusie
5.        De Afdeling ziet ambtshalve geen reden om de bewaring onrechtmatig te achten. Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover de rechtbank heeft nagelaten de minister te veroordelen tot vergoeding van bij appellant opgekomen proceskosten voor het gebrek in de staandehouding en ophouding. De Afdeling bevestigt de uitspraak voor het overige, met verbetering van de gronden waarop deze rust. De minister moet de proceskosten die de rechtbank in beroep ten onrechte niet heeft toegekend en de proceskosten voor het hoger beroep vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        verklaart het hoger beroep gegrond;
II.        vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 11 april 2025 in zaak nr. NL25.14910, voor zover de rechtbank heeft nagelaten de minister van Asiel en Migratie te veroordelen tot vergoeding van bij appellant opgekomen proceskosten wegens het gebrek in de staandehouding en ophouding;
III.        bevestigt de uitspraak voor het overige;
IV.        veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.814,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. B. Meijer, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J. van de Kolk, griffier.
w.g. Meijer
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van de Kolk
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 27 augustus 2025
347-1122