ECLI:NL:RVS:2025:4068
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen bewaring vreemdeling wegens onjuiste staandehouding en ophouding
Appellant werd op 25 maart 2025 in bewaring gesteld door de minister van Asiel en Migratie. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen deze bewaring ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. Appellant stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak.
Het geschil betrof de grondslag van de staandehouding en ophouding van appellant. De minister had appellant op grond van artikel 50, eerste en derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 staande gehouden en opgehouden, terwijl appellant als Dublinclaimant rechtmatig verblijf had op grond van artikel 8, aanhef en onder m, van de Vw 2000. Appellant stelde dat de staandehouding en ophouding op grond van artikel 50a van de Vw 2000 hadden moeten plaatsvinden.
De Afdeling oordeelde dat appellant terecht stelde dat de verkeerde wettelijke grondslag was gebruikt, maar dat dit gebrek niet leidde tot onrechtmatigheid van de bewaring vanwege het belang van de maatregel en het risico op onttrekking. Wel vernietigde de Afdeling het vonnis voor zover de rechtbank had nagelaten de minister te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten wegens het gebrek in de staandehouding en ophouding. De minister werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten voor zowel het beroep als het hoger beroep.
De Afdeling bevestigde de rest van de uitspraak van de rechtbank en verbeterde de motivering. De uitspraak werd in het openbaar uitgesproken op 27 augustus 2025.
Uitkomst: Het hoger beroep is gegrond verklaard, de uitspraak deels vernietigd en de minister veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.