ECLI:NL:RVS:2025:4214
Raad van State
- Hoger beroep
- J.C.A. de Poorter
- N. Verheij
- M.J.M. Ristra-Peeters
- Rechtspraak.nl
Afwijzing naturalisatieverzoek wegens twijfel aan identiteit ondanks langdurig verblijf
Appellant, met de Pakistaanse nationaliteit, woont sinds 1993 in Nederland en verzocht om naturalisatie. De staatssecretaris wees dit verzoek af op grond van artikel 7 van Pro de Rijkswet op het Nederlanderschap, vanwege twijfel over zijn identiteit. Deze twijfel is gebaseerd op een verificatieonderzoek uit 2008 dat onregelmatigheden in zijn geboorteakte en naamstelling aan het licht bracht.
Appellant betoogde dat het toetsingskader van de rechtbank te strikt was, dat het Unierechtelijk evenredigheidsbeginsel werd geschonden en dat het beroep op de hardheidsclausule terecht zou moeten slagen. Hij stelde dat hij onterecht werd benadeeld, mede omdat hij al decennia in Nederland woont, een hoge functie bekleedt en zijn gezin genaturaliseerd is.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de staatssecretaris terecht twijfelt aan de identiteit van appellant en dat het aan appellant is om deze twijfel weg te nemen. De rechtbank en de Afdeling vonden geen schending van het EVRM, het Unierecht of de Algemene wet bestuursrecht. Ook het beroep op artikel 10 RWN Pro (hardheidsclausule) faalde wegens gebrek aan bijzondere omstandigheden en bewijs.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de afwijzing van het naturalisatieverzoek bevestigd. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de afwijzing van het naturalisatieverzoek bevestigd wegens gerede twijfel aan de identiteit van appellant.