ECLI:NL:RVS:2024:2330
Raad van State
- Hoger beroep
- E. Steendijk
- Rechtspraak.nl
Afwijzing naturalisatieverzoek wegens twijfel aan identiteit en nationaliteit ondanks Ranov-vrijstelling
Appellant, afkomstig uit Zuid-Soedan en sinds 1998 in Nederland, verzocht in 2019 om het Nederlanderschap. Hij beschikte over een verblijfsvergunning op grond van de Ranov-regeling en maakte gebruik van de Ranov-vrijstelling, waardoor hij geen documenten hoefde te overleggen ter staving van zijn identiteit en nationaliteit. De staatssecretaris wees het verzoek af vanwege twijfel over zijn identiteit en nationaliteit, gebaseerd op een taalanalyse van TOELT die aangaf dat appellant eerder tot een Nigeriaanse spraakgemeenschap behoort.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat de staatssecretaris terecht op het deskundigenadvies mocht vertrouwen. Appellant voerde in hoger beroep aan dat de taalanalyse onjuist en onzorgvuldig was, dat hij nooit in Nigeria was geweest en dat de Nigeriaanse autoriteiten zijn afkomst niet bevestigden. Tevens stelde hij dat hij in bewijsnood verkeerde en als staatloze moest worden beschouwd.
De Afdeling bestuursrechtspraak overwoog dat het aan appellant was om de gerede twijfel weg te nemen, bijvoorbeeld door het overleggen van documenten. Appellant had onvoldoende concrete aanknopingspunten gegeven om aan te tonen dat het taalanalyse-rapport onzorgvuldig was of onbegrijpelijke conclusies bevatte. Ook had hij niet aangetoond dat hij al het mogelijke had gedaan om documenten te verkrijgen, waardoor bewijsnood niet werd aangenomen. Het bezwaar was kennelijk ongegrond, zodat de staatssecretaris terecht van het horen van appellant in bezwaar kon afzien.
De Afdeling verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van het naturalisatieverzoek wordt bevestigd wegens gerede twijfel aan identiteit en nationaliteit.