ECLI:NL:RVS:2025:4255
Raad van State
- Hoger beroep
- J.C.A. de Poorter
- B. Meijer
- M. den Heyer
- Rechtspraak.nl
Bevestiging bewaring vreemdeling na strafrechtelijke detentie ondanks onjuiste voorlichting
Appellant werd na strafrechtelijke detentie in bewaring gesteld door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid op grond van artikel 59a van de Vreemdelingenwet 2000, omdat zijn identiteit niet onmiddellijk kon worden vastgesteld. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen deze bewaring ongegrond en wees zijn verzoek om schadevergoeding af.
Appellant voerde aan dat hij onjuist was opgehouden op grond van artikel 50, tweede lid, van de Vw 2000, terwijl volgens hem artikel 50, derde lid, of artikel 50a van toepassing had moeten zijn. De Afdeling oordeelde echter dat de minister aan haar inspanningsverplichting had voldaan door een identiteits- en nationaliteitsonderzoek te verrichten, maar dat appellant niet meewerkte, waardoor ophouding op de juiste grondslag plaatsvond.
Hoewel het M122-formulier onjuiste informatie gaf over de grondslag van ophouding, leidde dit niet tot een onrechtmatige ophouding omdat op het moment van ophouding de juiste grondslag werd gehanteerd. De Afdeling gaf de minister de aanbeveling om het beleid en het formulier aan te passen voor duidelijkere communicatie.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de bewaring van appellant wordt bevestigd.