ECLI:NL:RVS:2025:4781
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid hoger beroep wegens intrekking besluit machtiging voorlopig verblijf
Appellant heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op haar aanvraag om een machtiging tot voorlopig verblijf. De rechtbank heeft dit beroep gegrond verklaard en de minister opgedragen binnen zestien weken alsnog een besluit te nemen.
De minister heeft vervolgens op 15 april 2025 het besluit genomen en de aanvraag ingewilligd. Hierdoor heeft appellant het doel van de procedure bereikt en heeft zij geen belang meer bij het hoger beroep. De Raad van State verklaart het hoger beroep daarom niet-ontvankelijk.
Wel wordt de minister veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten die appellant heeft gemaakt in verband met het hoger beroep, omdat het besluit tijdens de procedure is genomen en daarmee het belang van het hoger beroep is komen te vervallen. De proceskostenvergoeding wordt vastgesteld op €453,50.
Appellant heeft geen bezwaar gemaakt tegen het besluit van 15 april 2025, waardoor geen beroep van rechtswege is ontstaan. De uitspraak is gedaan door de enkelvoudige kamer van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op 7 oktober 2025.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat de minister het besluit heeft genomen en het belang van het hoger beroep is komen te vervallen.