ECLI:NL:RVS:2025:4836
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak rechtbank inzake afwijzing verblijfsvergunning asiel en terugverwijzing zaak
Appellant verzocht om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid op 14 februari 2022 werd afgewezen. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond op 7 december 2022. Appellant stelde hiertegen hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Afdeling oordeelde dat de rechtbank onvoldoende gemotiveerd had waarom appellant geen vluchtelingenstatus kon krijgen op grond van artikel 1(D) van het Vluchtelingenverdrag. Tevens was onvoldoende ingegaan op de beroepsgronden over het reële risico op schending van artikel 3 EVRM Pro bij terugkeer. Hierdoor was het oordeel van de rechtbank ondeugdelijk gemotiveerd en werd het hoger beroep gegrond verklaard.
Daarnaast wees de Afdeling het verzoek van appellant om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn af, omdat de procedure nog geen vier jaar had geduurd. De zaak werd vernietigd en terugverwezen naar de rechtbank voor herbehandeling, waarbij de minister werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van appellant.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en de zaak terugverwezen voor herbehandeling.